Ben en zijn vrouw Leslie zijn ecologische anarchisten die gekant zijn tegen de westerse levenswijze. Ze zijn teleurgesteld in het kapitalisme en vinden dat grote bedrijven te veel macht verwerven en een slechte invloed zijn. Daarom wonen ze met hun zes kinderen, de jongens Bo, Rellian en Nai en de meisjes Kielyr, Vespyr en Zaja, in de bossen van het Pacific Northwest. De kinderen krijgen ongeautoriseerd thuisonderwijs: literatuur, wetenschappen, talen en fysieke training. De kinderen leren steekwapens en pijl-en-boog hanteren. Ze leven onder meer van de jacht.
Leslie is al enige tijd opgenomen in een psychiatrische inrichting. Ze is bipolair en pleegt zelfmoord. Haar vader Jack wil haar begraven en verbiedt Ben en de kinderen naar de begrafenis te komen. Leslie was echter boeddhistisch. Haar laatste wens was gecremeerd te worden. Ze wilde dat haar as door het toilet gespoeld zou worden. Ben en de kinderen gaan met hun bus toch naar de begrafenisplechtigheid. Ben wordt door Jack de kerk uit gezet. Die wil voogdij over de kinderen en dreigt Ben te laten arresteren als hij zich verzet.
Door het overlijden van Leslie staan de relaties binnen het gezin onder spanning. De oudste zoon Bo verwijt zijn vader dat hij sociaal onhandig is omdat ze nooit met anderen in contact komen. Hij is aan verschillende topuniversiteiten toegelaten, zonder Ben’s medeweten. Rellian geeft zijn vader de schuld voor Leslie’s zelfmoord en blijft bij zijn grootouders. Als Vespyr van het dak valt, in een poging om Rellian terug te halen, geeft Ben zich gewonnen. Hij vertrekt alleen maar de kinderen hebben zich in de bus verstopt. Op aangeven van de kinderen graven ze Leslie op, cremeren haar en spoelen haar as door in een toilet op de luchthaven. Bo reist naar Namibië. Ben start een nieuwe boerderij en de kinderen gaan naar school. Zo zijn ze minder geïsoleerd van de samenleving, maar toch nog in staat om hun eigenheid en waarden te behouden.