Toen Henry David Thoreau thuis kwam in zijn boshut bij Walden Pond, met een vis aan zijn hengel, werd hij overvallen door een enorme drang om rauwe bosmarmot te eten. Niet dat hij honger had. Hij wist hoe bosmarmot smaakte, ten minste gekookt, want hij had er een gedood en opgegeten die behaaglijk had zitten dineren van zijn bonenveld. Hij voelde plotseling hoe de kracht van de natuur zijn lichaam bestormde als een oude passie. ‘Ik besefte plotseling dat ik de bossen doorkruiste als een half uitgehongerde hond, met een vreemde overgave, op zoek naar vlees om te verslinden. Geen stuk zou te wild voor me zijn geweest.’ Dus toen de bosmarmot zijn pad kruiste, was het de ‘wildheid’ van het dier die Thoreau ertoe verleidde het te grijpen en in stukken te scheuren. ‘Ik vrees dat we slechts een soort goden zijn als faunen of saters en dat het goddelijke toebehoort aan de beesten, de schepselen van de eetlust.’
Thoreau was bang voor de wederopstanding van het roofdier in hem omdat hij erg ambivalent stond tegenover het primitieve instinct in de mensheid. In Walden brak hij zich het hoofd over ‘het dier in ons' dat wakkerder wordt naarmate onze hogere natuur dieper slaapt. Het is laag en sensueel en kan niet helemaal verdreven worden; zoals de wormen die, zelfs als we gezond zijn en nog leven, onze lichamen bezetten. Ook al dronk hij water uit beken en at hij bessen, nooit was hij zuiver genoeg voor zijn eigen geweten; nooit was hij kuis genoeg om zijn ziel tevreden te stellen. Hoezeer hij de conventionele regels van de maatschappij van New England ook ontvluchtte, hij maakte er duidelijk deel van uit. Beschaving is een meedogenloze aanval op onze dierlijke instincten.
Zijn ontmoeting met een echte wildernis, in de bossen van Maine rond Mount Ktaadn in 1846, was geen onverdeeld genoegen. Het bos was zo vochtig en mossig dat hij het gevoel had door een oneindig moeras te reizen. ‘De berghellingen, pokdalig van de bereholen, waren het verraderlijkste en meest poreuze landschap dat ik ooit bereisd heb. De kale rots van de top, verlaten en woest: Dit was die Aarde waar we van gehoord hebben en die gemaakt is uit Chaos en Oude Nacht. Hier was niet het hof van de mens, maar de oningewijde aardbol (...) Het was 'Materie, enorm, gruwelijk.’
Toen hij echter het podium van het Concord Lyceum betrad voor zijn beroemde lezing, getiteld ‘Walking’, stelde Thoreau zich op als onbuigbare wildeman. Ten overstaan van de verzamelde hoeden en snorren verkondigde hij dat ‘het behoud van de wereld in de Wildheid ligt’. Tam worden, waarschuwde hij, betekent een uitnodiging tot teloorgang, want toen de Romeinse afstammelingen van Romulus en Remus niet langer werden ‘gezoogd door de wolf (...) werden ze veroverd en verdrongen door de kinderen van de noordelijke bossen die dat wel waren.’ Aangezien de huid van de antilope parfum uitscheidde, wilde hij dat, ‘elke man zozeer als een wilde antilope (was), zozeer deel van de Natuur, dat zijn persoon op die manier onze zintuigen zou verwittigen van zijn zoete aanwezigheid en ons herinneren aan die delen van de Natuur waar hij het meest rondwaart’.
Thoreau’s verwerping van de geschiedenis was gebaseerd op een overtuiging dat geschiedenis onverenigbaar is met de natuur. Wat beschaving gewoonlijk deed met de natuurlijke wereld was ze deemoedig en meegaand maken, een ding met randen en vaste eenjarige planten in plaats van het ondoordringbare, trillende moeras.
Toen Thoreau in het statige woud van dennenbomen liep bij Spaulding’s Farm, zag hij dat de gouden stralen van de ondergaande zon doorgedrongen waren tot de gangpaden van het bos als in een nobele zaal. Of hij het nu bewust deed of niet, hij herinnerde zich de oude traditie waarin het plafond van het bos werd gezien als een heilig gewelf.
Archeologie veronderstelt een saaie continuïteit van menselijke bewoning. Het hele idee van cultuurlaag op cultuurlaag op dezelfde plaats maakte Thoreau misselijk. Hij genoot van het feit dat, zoals hij zich voorstelde, de twee hectare die Emerson hem had gegund aan Walden Pond nooit enige vorm van menselijke bewoning hadden gezien. Of er nu wel geen Indiaanse culturen aan de randen van het diepe, heldere water van het meer waren geweest maakte geen verschil want zij vielen buiten het soort exploitatie dat hij aan beschaving toekende. Thoreau geloofde dat de indianen een leven geleid hadden dat volledig in overeenstemming was met de natuur, met ‘de wolf en de bever’. ‘De wildheid van het wilde’, benadrukte hij, ‘is slechts een vaag symbool van de ontzettende woestheid waarmee goede mensen en geliefden elkaar ontmoeten.’
Wat deed het boek ‘Walden’ met het bos ‘Walden’? Wat dacht Thoreau dat er zou gebeuren met zijn heiligdom van berken en dennen als zijn boek succes had? Dat zou hij nooit meemaken, want er waren vijf jaar voor nodig om tweeduizend exemplaren te verkopen. Thoreau stierf een vroege dood in 1862, diep bedroefd om zijn falen. Zijn overlijden zorgde voor een korte periode van aandacht, maar pas na 1880 werd Walden internationaal bekend. Stel dat het direct een succes was geweest. Zou dat niet onmiddellijk de poel hebben veranderd in een spiegel voor Thoreau's roem? De plek zou zijn onschuld kwijt zijn, omdat het onmogelijk is erheen te gaan zonder je bewust te zijn van zijn spookachtige aanwezigheid. Maar waarom zouden we dat willen vermijden? De archeologie van zijn woning ligt in de rudimentaire steenhoop die zijn huis voorstelt, en die regelmatig bezocht wordt door de talloze pelgrims en volgelingen van zijn nagedachtenis die het pad langs de poel hebben uitgesleten met hun eerbetoon. Of Thoreau werkelijk onaangenaam getroffen zou zijn door hun aandacht is nog maar de vraag. Hij was, zoals Edward Hoagland heeft beweerd, meer gesteld op gezelschap en de maatschappij dan uit zijn dagboeken en boeken blijkt. Misschien zou hij teruggedeinsd zijn voor het gerammel en gekreun van het pendeltreintje achter de heuvel die de poel overziet. Het onophoudelijk geraas van vrachtwagens op de snelweg op nauwelijks een kilometer afstand zou een kwelling zijn geweest. Misschien zouden de joggers die over de paden rennen nog het allerergste zijn, want Thoreau schreef dat de beste manier van wandelen langzaam slenteren was, zoals een kameel, volgens hem het enige dier dat kon herkauwen en lopen tegelijkertijd. Zwemmers die in het ondiepe water spartelen en de enkele visser in een roeiboot zouden hem misschien helemaal niet gestoord hebben, noch het gevoel dat Walden minder die wilde, huilende moeder van ons, de Natuur', is dan een ontsnapping voor de suburbs - de twee Arcadia, wild en teer, gemengd in de kom van hetzelfde lieflijke landschap. Want al beschouwen we Thoreau over het algemeen als de behoeder van de wildernis, een van zijn grootste passies lag in het plaatselijke en intieme.
'Ik heb veel gereisd in Concord.' schrijft Thoreau. Dat had hij inderdaad. De ongeëvenaarde levendigheid en precisie van zijn schrijven komt voort uit de vertrouwdheid van die 'reizen'. In 1840, drie jaar nadat hij was afgestudeerd aan Harvard, overwoog de zoon van de potloodmaker of hij, net als veel van zijn tijdgenoten (Melville en Parkman bijvoorbeeld) zijn behoefte naar het wilde moest bevredigen door een lange reis te maken. Hij bestudeerde de carrière van Sir Walter Raleigh op de Orinoco rivier. Op 21 maart dagdroomde hij als een kind over wat hij zou kunnen zijn. In zijn dagboek staat; een postbezorger in Peru - of een Zuid Afrikaanse planter - of een Siberische banneling - of een walvisvaarder uit Groenland, of een kolonist aan de Columbia rivier - of een Kantonese handelaar - of een soldaat in Florida - of een makreelvisser bij Cape Sable - of een Robinson Crusoe in de Stille Zuidzee? Zijn antwoord was dat hij geen van deze dingen zou doen, want 'onze ledematen hebben wel ruimte genoeg, maar onze zielen liggen te roesten in een hoek. 'Laten we innerlijk migreren en onze tent elke dag dichter bij de westelijke horizon opslaan.' Zelfs deze drang naar het westen was eerder een geestesgesteldheid dan een bevel om te reizen. Want zijn grootste openbaringen kwamen altijd ter plekke. Een jaar later zat hij in zijn bootje midden op de poel in de schemering op zijn fluit te spelen en te kijken naar een baars en de maan die reisde over de geribbelde bodem. Hij voelde dat niets anders dan de wildste verbeelding het leven dat wij leiden kan begrijpen. ‘De natuur is een tovenaar.’ 'De nachten in Walden zijn vreemder dan de Arabische.'
Thoreau veranderde nooit van gedachten over de noodzakelijke intimiteit van wildheid. Op 30 augustus 1856, zes jaar voor zijn dood, verklaarde hij in zijn dagboek dat hij eindelijk 'een nieuwe wereld had bereikt'. Hij bedoelde natuurlijk dat hij op dezelfde plaats was gebleven. Maar op die plaats had hij een plek ontdekt die zo wild was dat de 'bosbessen behaard en oneetbaar waren'. De ontdekking gaf hem een huivering. Met de bessen in zijn hand begon hij plotseling door tijd en ruimte te reizen: 'Hier groeit de behaarde bosbes zoals in de dagen van Squaw Sachem duizend jaar daarvoor. Hij spreekt mij misschien meer aan dan haar. Ik kan moerassen ervaren en binnen het uur thuis dineren. Dit is nog beter dan een spoorweg. Het heeft geen zin te dromen van een wildheid ver van onszelf. Die is er niet. Het is het moeras in onze geest en ingewanden, het primitieve geweld van de Natuur in ons, dat die droom oproept.
Uit: SCHAMA (S.), Landschap en herinnering, Uitgeverij Contact, Amsterdam/Antwerpen, 1998.