'Heeft de verovering van de ruimte de status van de mens verhoogd of verlaagd?' Deze vraag is gericht aan de leek, niet de wetenschapper. Ze is ingegeven door de interesse van een humanist voor de mens en daarmee te onderscheiden van de interesse van de fysicus voor de realiteit van de fysische wereld.
Het begrijpen van de fysische realiteit lijkt te vereisen dat men een antropocentrisch of geocentrisch wereldbeeld opgeeft, maar ook dat men alle antropomorfe elementen en principes radicaal elimineert, zoals die ofwel deel uitmaken van de wereld die aan de vijf menselijke zintuigen gegeven is, ofwel voortkomen uit de categorieën die inherent zijn aan de menselijke geest.
De vraag veronderstelt dat de mens het hoogste wezen is dat we kennen. Dit idee hebben we van de Romeinen geërfd, wier humanitas zo vreemd was aan de Griekse mentaliteit dat de Grieken er niet eens een woord voor hadden. (De reden waarom de Griekse taal en het Griekse denken geen pendant van het Latijnse woord humanitas hadden, was dat de Grieken, in tegenstelling tot de Romeinen, nooit hebben gedacht dat de mens het hoogste wezen is. Aristoteles noemt een dergelijk geloof átonos, 'absurd'.) Dit denkbeeld over de mens is nog vreemder voor de wetenschapper, voor wie de mens slechts een bijzonder geval is van organisch leven en voor wie de habitat van de mens - de aarde, in combinatie met aan de aarde gebonden wetten - niet meer is dan een bijzonder grensgeval van absolute, universele wetten, dat wil zeggen wetten die voor het hele onmetelijke universum gelden. De wetenschapper kan het zich beslist niet veroorloven om de vraag te stellen welke gevolgen de resultaten van zijn onderzoek zullen hebben voor de status (of de toekomst) van de mens. Het is de glorie van de moderne wetenschap dat ze zich volledig heeft kunnen emanciperen van zulke antropocentrische, dat wil zeggen waarachtig humanistische overwegingen.
Omdat de geopperde kwestie wordt voorgelegd aan de leek, moet ze worden beantwoord in termen van het gezonde verstand en in alledaagse taal (als ze überhaupt al beantwoord kan worden). Het is onwaarschijnlijk dat het antwoord de natuurwetenschapper zal overtuigen, omdat hij als gevolg van zijn bevindingen en experimenten gedwongen werd afstand te nemen van zintuiglijke waarneming en dus van het gezonde verstand dat de gewaarwordingen van onze vijf zintuigen coördineert tot een totaalbesef van de realiteit. Hij werd ook gedwongen afstand te nemen van de gewone taal, die zelfs in haar meest geraffineerde begripsmatige verfijningen onlosmakelijk verbonden blijft met de wereld van de zintuigen en ons gezonde verstand. Voor de natuurwetenschapper is de mens slechts een waarnemer van het universum in de talrijke manifestaties ervan. De vooruitgang van de moderne natuurwetenschap heeft zeer overtuigend aangetoond in welke mate dit geobserveerde universum, het oneindig kleine net zo goed als het oneindig grote, zich niet alleen onttrekt aan de grove vermogens van de menselijke zintuiglijke waarneming, maar ook aan de zeer vernuftige instrumenten die ter verfijning van die waarneming zijn gebouwd. De data waarmee het moderne natuurkundige onderzoek te maken heeft, verschijnen als 'mysterieuze boodschapper[s] uit de reële wereld'. Maar strikt gesproken zijn ze geen fenomenen, geen verschijningen, want we komen ze nergens tegen, niet in het dagelijks leven en ook niet in het laboratorium; we weten alleen van hun aanwezigheid omdat ze bepaalde effecten op onze meetinstrumenten hebben. En die effecten kunnen, volgens het veelzeggende beeld van Eddington, 'net zoveel gelijkenis vertonen' met wat ze zijn 'als een telefoonnummer met de telefoonabonnee'.Het punt hier is dat Eddington zonder een spoor van twijfel aanneemt dat deze fysische data voortkomen uit een 'reële wereld'; reëler, zou je concluderen, dan de wereld waarin wij leven. Het probleem is dat er iets fysisch aanwezig is, maar nooit verschijnt.
Het doel van de moderne natuurwetenschap, die ons op de maan heeft gebracht, is niet langer om menselijke ervaringen 'te vermeerderen en te ordenen' (zoals Niels Bohr het beschreef, nog steeds gebonden aan een vocabulaire dat mede door zijn werk achterhaald is geworden); het gaat er eerder om te ontdekken wat er achter de natuurlijke verschijnselen ligt, zoals die zich aan de zintuigen en de geest van de mens onthullen. Als de natuurwetenschapper de aard van de menselijke zintuiglijke en mentale vermogens tot onderwerp van zijn overwegingen had gemaakt, als hij kwesties aan de orde gesteld als: 'Wat is de aard van de mens en wat zou zijn status moeten zijn?, 'Wat is het doel van de wetenschap, en waarom streeft de mens naar kennis?', of zelfs 'Wat is het leven, en wat onderscheidt menselijk van dierlijk leven', dan zou hij nooit zijn uitgekomen bij het punt waarop de moderne natuurwetenschap zich nu bevindt. De antwoorden op deze vragen zouden als definities hebben gefungeerd, en dus als beperkingen van zijn inspanningen. Of, zoals Niels Bohr het formuleerde: 'Alleen door af te zien van een verklaring van leven in de gewone zin van het woord, krijgen we een mogelijkheid om de kenmerken ervan in beschouwing te nemen.' Dat de kwestie die hier naar voren wordt gebracht voor de natuurwetenschapper qua natuurwetenschapper zinloos is, vormt geen argument tegen het aan de orde stellen ervan. De kwestie daagt de leek en de humanist uit te beoordelen wat de natuurwetenschapper aan het doen is, omdat dit alle mensen aangaat, en bij dat debat moeten natuurlijk ook de natuurwetenschappers zelf zich aansluiten, aangezien ze medeburgers zijn. Alle antwoorden die tijdens dat debat worden gegeven, of ze nu afkomstig zijn van leken, filosofen of natuurwetenschappers, zijn echter niet-wetenschappelijk (zij het niet antiwetenschappelijk); ze kunnen nooit aantoonbaar waar of onwaar zijn. De waarheid ervan lijkt eerder op de geldigheid van overeenkomsten dan op de dwingende validiteit van wetenschappelijke beweringen. Ook wanneer de antwoorden gegeven worden door filosofen wier levenswijze gekenmerkt wordt door eenzaamheid, zijn ze het resultaat van een uitwisseling van meningen van vele mensen, van wie de meesten niet meer onder de levenden zijn. Zulke waarheid kan nooit algemene overeenstemming afdwingen, maar vaak gaat ze langer mee dan de dwingend en aantoonbaar ware uitspraken van de natuurwetenschappen, die vooral recentelijk de ongemakkelijke hebbelijkheid hebben om steeds te moeten worden bijgesteld, terwijl ze toch op elk gegeven moment voor iedereen geldig zijn, en moeten zijn. Met andere woorden: begrippen als 'leven', 'de mens', 'wetenschap' of 'kennis' zijn per definitie voorwetenschappelijk en de vraag is of de feitelijke ontwikkeling van de natuurwetenschap, die heeft geleid tot de verovering van de ruimte rond de aarde en tot de verkenning van de ruimte tussen de sterren, deze begrippen al dan niet in zulke mate heeft veranderd dat ze geen betekenis meer hebben. Want de kern van de zaak is natuurlijk dat de moderne natuurwetenschap-ongeacht haar origine en oorspronkelijke doelstellingen - de wereld waarin we leven zo radicaal heeft gewijzigd en gereconstrueerd dat je zou kunnen stellen dat de leek en de humanist, die nog steeds vertrouwen op hun gezonde verstand en op communicatie in termen van de gewone taal, het contact met de realiteit hebben verloren; dat ze alleen maar begrijpen wat verschijnt, maar niet wat er achter de verschijningen ligt (alsof je probeert te begrijpen wat een boom is zonder de wortels ervan in de beschouwing te betrekken); en dat hun vragen en angstige zorgen slechts het gevolg van onwetendheid zijn en daarom niet relevant. Hoe kan iemand betwijfelen dat een wetenschap die de mens in staat stelt de ruimte te veroveren en naar de maan te reizen de status van de mens verhoogt? Deze manier om de kwestie te omzeilen zou natuurlijk zeer verleidelijk zijn als het waar was dat we nu in een wereld leven die alleen de natuurwetenschappers 'begrijpen'. Die zouden dan in de positie zijn van de 'weinigen' wier superieure kennis hun het recht geeft om over de 'velen' te heersen, namelijk alle niet-natuurwetenschappers; leken vanuit het oogpunt van de natuurwetenschapper - of het nu humanisten zijn, wetenschappers of filosofen - allen, kortom, die uit onwetendheid voorwetenschappelijke vragen opwerpen. Deze scheidslijn tussen de natuurwetenschapper en de leek is echter ver bezijden de waarheid. Het is niet alleen zo dat de natuurwetenschapper meer dan de helft van zijn leven doorbrengt in dezelfde wereld van zintuiglijke waarneming, gezond verstand en gewone omgangstaal als zijn medeburgers, maar ook dat hij op zijn eigen bevoorrechte werkterrein op een punt is aangekomen waar de naïeve vragen en angstige zorgen van de leek zeer nadrukkelijk om aandacht vragen, zij het op een andere manier. Wanneer de natuurwetenschapper aan het werk gaat in zijn laboratorium en begint te communiceren in de taal van de wiskunde, heeft hij de leek met diens beperkte begrip achter zich gelaten, maar tevens een deel van zichzelf en zijn eigen begripsvermogen, dat nog steeds een menselijk begripsvermogen is. Max Planck had gelijk: het wonder van de moderne natuurwetenschap is inderdaad dat die wetenschap gezuiverd kon worden 'van alle antropomorfe elementen', omdat de zuivering door mensen was uitgevoerd.? De theoretische aporieën waarmee de nieuwe, niet-antropocentrische en niet-geocentrische (of niet-heliocentrische) wetenschap wordt geconfronteerd omdat haar data onmogelijk geordend kunnen worden in termen van de natuurlijke mentale categorieën van het menselijke brein, zijn maar al te bekend. In de woorden van Erwin Schrödinger is het nieuwe universum dat we proberen te 'veroveren' niet alleen 'praktisch ontoegankelijk, het is zelfs niet denkbaar', want 'hoe we het ook denken, het is fout gedacht; misschien niet zo totaal zinloos als een "driehoekige cirkel", maar wel veel zinlozer dan een "gevleugelde leeuw". Er zijn andere problemen van een minder theoretische aard. Elektronische breinen delen met andere machines het vermogen om het werk van de mens beter en sneller te doen dan de mens zelf. Het feit dat ze de menselijke hersencapaciteit en niet zozeer de menselijke arbeidskracht vervangen en vergroten, is geen reden tot verwondering voor hen die kunnen onderscheiden tussen het 'intellect' dat nodig is om goed te kunnen dammen of schaken en de menselijke geest.? Dit bewijst in feite alleen maar dat arbeidskracht en hersencapaciteit tot dezelfde categorie behoren, en dat wat we intelligentie noemen en kunnen meten in termen van IQ, eigenlijk niet veel meer te maken heeft met de kwaliteit van de menselijke geest dan dat het er een conditio sine qua non voor is. Er zijn echter natuurwetenschappers die stellen dat computers kunnen doen 'wat een menselijk brein niet kan bevatten', en dat is een volstrekt andere en onrustbarende uitspraak, want bevattingsvermogen is in feite een functie van de geest en nooit het automatische resultaat van hersencapaciteit. Mocht het waar zijn - en niet simpelweg een geval van foutief zelfbegrip van een natuurwetenschapper - dat we worden omringd door machines waarvan we de verrichtingen niet kunnen bevatten, ook al hebben we die zelf ontworpen en geconstrueerd, dan zou dat betekenen dat de theoretische aporieën van de natuurwetenschappen op het hoogste niveau hun intrede doen in onze wereld van alledag. Maar zelfs als we binnen het strikt theoretische kader blijven, zijn de paradoxen die de grote natuurwetenschappers zelf zorgen beginnen te baren ernstig genoeg om ook de leek te verontrusten. De vaak genoemde achterstand van de sociale wetenschappen ten opzichte van de natuurwetenschappen, of de achterstand van de politieke ontwikkeling van de mens ten opzichte van zijn technische en wetenschappelijke knowhow, is overigens slechts een afleidingsmanoeuvre in dit debat. Het leidt alleen maar de aandacht af van het belangrijkste probleem, en dat is dat de mens kan doen, en met succes kan doen, wat hij niet in staat is te bevatten en in gewone mensentaal tot uitdrukking te brengen. Het is opmerkelijk dat het vooral de oudere generatie van natuurwetenschappers was, mensen als Einstein, Planck, Bohr en Schrödinger, die zich het meest zorgen maakte over de stand van zaken die voornamelijk het gevolg was van hun eigen werk. Ze waren nog stevig geworteld in een traditie die stelde dat natuurwetenschappelijke theorieën moeten voldoen aan bepaalde uitgesproken humanistische vereisten zoals eenvoud, schoonheid en harmonie. Een theorie werd geacht 'bevredigend' te zijn, en wel bevredigend voor de menselijke rede voor zover ze ertoe diende om 'de fenomenen te redden', dus om alle waargenomen feiten te verklaren. Zelfs in de huidige tijd horen we nog dat 'moderne fysici geneigd zijn op grond van esthetische redenen te geloven in de geldigheid van de algemene relativiteitstheorie, omdat ze wiskundig zo elegant en filosofisch zo bevredigend is'." Einsteins extreme onwil om het causaliteitsbeginsel op te offeren, zoals Plancks kwantumtheorie eiste, is bekend; zijn grootste bezwaar was natuurlijk dat met het causaliteitsbeginsel alle wetmatigheid uit het universum zou verdwijnen, het zou zijn alsof God de wereld bestuurde door 'te dobbelen'. Aangezien Einsteins eigen ontdekkingen volgens Niels Bohr het resultaat waren van een 'omvorming en generalisatie van het gehele bouwwerk van de klassieke natuurkunde (...) die ons wereldbeeld een eenheid verleenden die al onze eerdere verwachtingen overtrof", lijkt het alleen maar natuurlijk dat Einstein probeerde de nieuwe theorieën van zijn collega's en opvolgers in overeenstemming te brengen met zijn eigen inzichten 'door de zoektocht naar een vollediger concept', door middel van een nieuwe en meeromvattende generalisatie.' Daarom kon Max Planck de relativiteitstheorie 'de vervolmaking en de culminatie van de structuur van de klassieke natuurkunde' noemen, de 'ultieme bekroning' ervan. Toch beschouwde Planck zelf, hoewel hij ten volle besefte dat de kwantummechanica in tegenstelling tot de relativiteitstheorie een volledige breuk inhield met de klassieke natuurkunde, het 'als wezenlijk voor een gezonde ontwikkeling van de natuurkunde dat we tot de postulaten van deze wetenschap niet louter het bestaan van een wet in het algemeen rekenen, maar ook het streng causale karakter van deze wet. Niels Bohr ging echter een stap verder. Voor hem behoorden causaliteit, determinisme en de noodzakelijkheid van wetten tot de categorieën van 'ons noodzakelijkerwijs bevooroordeelde begrippenkader', en hij was niet langer bevreesd wanneer hij 'in atomaire fenomenen' werd geconfronteerd 'met regelmatigheden van een geheel nieuw type, die een deterministische, aanschouwelijke beschrijving tarten' 14 Het probleem is dat wat 'de beschrijving tart' in termen van de 'vooroordelen' van de menselijke geest, de beschrijving tart op elke voorstelbare manier in menselijke taal; het kan helemaal niet meer worden beschreven, en het wordt uitgedrukt, maar niet beschreven, in termen van wiskundige processen. Aangezien 'geen enkele ervaring definieerbaar is zonder een logisch kader', bleef Bohr hopen dat deze nieuwe ervaringen weldra op hun plaats zouden vallen dankzij) 'een adequate verbreding van het begrippenkader' die eveneens alle huidige paradoxen en 'schijnbare disharmonieën' zou wegnemen.' Ik vrees echter dat deze hoop vergeefs is. De categorieën en ideeën van de menselijke rede hebben hun uiteindelijke bron in de menselijke zintuiglijke ervaring, en alle termen die onze geestelijke vermogens beschrijven, evenals een aanzienlijk deel van onze conceptuele taal, zijn afgeleid van de wereld van de zintuiglijkheid en worden metaforisch gebruikt. Bovendien is het menselijk brein, dat naar verluidt ons denken voor zijn rekening neemt, net zo aards, net zo aan de aarde gebonden als elk ander deel van het menselijk lichaam. Precies door abstractie van deze aardse omstandigheden, door een beroep te doen op een verbeeldingskracht en een abstractievermogen die de menselijke geest als het ware uit het aardse zwaartekrachtsveld verheffen en daarop neerzien vanuit een bepaald punt in het universum, kon de moderne natuurwetenschap haar roemrijkste en tegelijkertijd meest verbijsterende resultaten boeken. In 1929, kort voor de atoomrevolutie die werd ingeluid door de splijting van het atoom en de hoop op verovering van de ruimte tussen de sterren, eiste Planck dat de resultaten van wiskundige processen 'worden terugvertaald naar de taal van onze zintuiglijk waarneembare wereld, willen ze ons van enig nut zijn'. In de drie decennia die zijn verlopen sinds deze woorden werden geschreven, is zo'n vertaling alleen maar minder waarschijnlijk geworden, omdat de teloorgang van het contact tussen het natuurkundig wereldbeeld en de wereld van de zintuigen steeds duidelijker wordt. Maar - en in onze context is dit des te verontrustender - dat betekent geenszins dat de resultaten van deze nieuwe wetenschap geen praktisch nut hebben of dat het nieuwe wereldbeeld, zoals Planck had voorspeld ingeval de vertaling naar gewone taal mocht mislukken, 'niet beter zou zijn dan een zeepbel die bij de eerste windvlaag uiteenspat'. Integendeel, je zou eerder zeggen dat het veel waarschijnlijker is dat de planeet die we bewonen in rook zal opgaan als gevolg van theorieën die geen enkel verband vertonen met de wereld van de zintuigen en elke beschrijving in gewone mensentaal tarten, dan dat zelfs een orkaan de bedoelde theorieën als zeepbellen kan doen uiteenspatten.
Je kunt volgens mij gerust stellen dat enige 'wil tot macht' niet de geringste rol heeft gespeeld in de geest van de wetenschappers die het radicaalste en snelste revolutionaire proces hebben teweeggebracht waarvan de wereld ooit getuige is geweest. Niets was hun vreemder dan het verlangen om de 'ruimte te veroveren' en naar de maan te gaan. Evenmin werden ze gemotiveerd door een ongepaste nieuwsgierigheid in de zin van een temptatio oculorum [beproeving van de ogen]. Het was in feite hun zoektocht naar de 'ware realiteit' die bewerkstelligde dat ze hun vertrouwen verloren in de verschijningen, in de fenomenen zoals die zich uit zichzelf aan de menselijke zintuiglijkheid en rede onthullen. Ze werden geïnspireerd door een buitengewone liefde voor harmonie en wetmatigheid, die hun leerde dat ze zich buiten elke louter gegeven opeenvolging of reeks van gebeurtenissen moesten begeven als ze de alomvattende schoonheid en orde van het geheel oftewel het universum wilden ontdekken. Dit verklaart wellicht waarom ze minder onthutst leken door het feit dat hun ontdekkingen de uitvinding van uiterst moorddadige speeltjes mogelijk maakten, dan dat ze geschokt waren door het feit dat al hun langgekoesterde dromen over noodzakelijkheid en wetmatigheid in duigen vielen. Deze idealen gingen teloor toen de wetenschappers ontdekten dat niets in de materie ondeelbaar is, dat er geen árouos is; dat we in een uitdijend, onbegrensd universum leven en dat het toeval het hoogste gezag voert waar deze 'echte realiteit', de wereld van de fysica, zich volledig heeft verwijderd van de reikwijdte van de menselijke zintuigen en alle instrumenten die hun grofheid moeten verfijnen. Hieruit lijkt te volgen dat causaliteit, noodzakelijkheid en wetmatigheid aan het menselijk brein inherente categorieën zijn, die alleen van toepassing zijn op de ervaringenvan het gezonde verstand van aan de aarde gebonden schepselen. Alles wat zulke schepselen 'redelijkerwijs' verlangen, lijkt hun te worden ontzegd zodra ze zich buiten het bereik van hun aardse habitat begeven. Het moderne wetenschappelijke avontuur begon met gedachten die nooit eerder waren gedacht (Copernicus verbeeldde zich 'op de zon te staan (...) en de loop der planeten te overzien') en met dingen die nooit eerder waren gezien (Galileo'stelescoop doorkliefde de afstand tussen de aarde en de hemel en presenteerde de geheimen van de sterren aan het menselijk kenvermogen 'met alle zekerheid van de zintuiglijke ervaring'). Het avontuur vond zijn klassieke uitdrukking in de zwaartekrachtswet van Newton: het gaat om één vergelijking, die zowel de bewegingen van de hemellichamen beschrijft als de bewegingen van dingen op aarde. Einstein generaliseerde in feite deze wetenschap van de moderne tijd door de introductie van 'een waarnemer die vrijelijk in de ruimte zweeft' en zich niet op één vast punt bevindt, zoals de zon, en hij bewees dat niet alleen de theorie van Copernicus, maar ook die van Newton nog steeds vereisten 'dat het universum een soort middelpunt moet hebben', hoewel dat middelpunt natuurlijk niet meer de aarde kon zijn. Het is overduidelijk dat de krachtigste intellectuele motivatie van de wetenschappers Einsteins 'streven naar generalisering' was en dat als ze al een beroep deden op macht, deze de ontzagwekkende combinatie was van de macht van de abstractie en die van de verbeelding. Ook al worden er tegenwoordig jaar in jaar uit miljarden gespendeerd aan zeer 'nuttige' projecten die het onmiddellijke resultaat vormen van de ontwikkeling van zuiver theoretische wetenschap, en ook al is de feitelijke macht van landen en regeringen afhankelijk van de verrichtingen en prestaties van vele duizenden onderzoekers - toch kijkt de natuurkundige op al deze ruimtevaartwetenschappers neer als louter 'loodgieters'. De droevige waarheid is echter dat het teloorgegane contact tussen enerzijds de wereld van de zintuigen en verschijnselen en anderzijds het wereldbeeld van de fysica niet is hersteld door de zuivere natuurwetenschapper, maar door de 'loodgieter'. De technici, die tegenwoordig de overweldigende meerderheid van alle 'onderzoekers' vormen, hebben de resultaten van de natuurwetenschappers naar de aardse praktijk teruggebracht. En hoewel de natuurwetenschapper nog steeds wordt geteisterd door paradoxen en de meest verbijsterende aporieën, toont louter het feit dat zijn onderzoeksresultaten de aanzet gaven tot de ontwikkeling van een complete technologie, de 'soliditeit' van zijn theorieën en hypothesen overtuigender aan dan welke zuiver wetenschappelijke waarneming of welk experiment ooit zou kunnen doen. Het is volkomen waar dat de wetenschapper zelf niet naar de maan wil, omdat hij weet dat onbemande ruimteschepen met de beste instrumenten aan boord die het menselijk vernuft kan bedenken, de oppervlakte van de maan veel beter kunnen onderzoeken dan tientallen astronauten en zo zijn doelstellingen beter dienen. En toch wordt een werkelijke verandering van de menselijke wereld, de verovering van de ruimte of hoe we het ook willen noemen, alleen tot stand gebracht wanneer bemande ruimteschepen het heelal in worden gelanceerd, zodat de mens zelf daarheen kan gaan, waar hij tot dusver alleen dankzij zijn verbeelding en haar vermogen tot abstractie kon verblijven. Zeker, het enige wat we nu van plan zijn, is het verkennen van onze eigen onmiddellijke omgeving in het universum, het oneindig kleine terrein dat het menselijk ras zou kunnen bereiken, zelfs als het met de lichtsnelheid kon reizen. Gezien de levensverwachting van de mens - op dit moment de enige absolute beperking die er nog is - is het zeer onwaarschijnlijk dat de mens ooit veel verder komt. Maar zelfs voor dit beperkte karwei moeten we de wereld van onze zintuigen en lichamen niet alleen in onze verbeelding, maar ook in werkelijkheid verlaten.
Het is alsof de verbeelde 'in de vrije ruimte zwevende waarnemer' van Einstein - zonder twijfel een schepping van de menselijke geest en zijn abstractievermogen - wordt opgevolgd door een fysieke waarnemer die zich moet gedragen alsof hij louter een kind is van abstractie en verbeelding. Op dit punt dringen alle theoretische aporieën van het nieuwe fysische wereldbeeld als realiteiten de alledaagse wereld van de mens binnen en lichten zijn 'natuurlijke', dat wil zeggen zijn aan de aarde gebonden gezonde verstand, uit zijn voegen. Hij zou bijvoorbeeld in de realiteit worden geconfronteerd met de beroemde 'tweelingparadox' van Einstein: in die paradox wordt hypothetisch aangenomen 'dat één helft van een tweeling die zich op een ruimtereis begeeft waarbij hij zich voortbeweegt met een flinke fractie van de lichtsnelheid, bij zijn terugkeer zou vaststellen dat zijn op aarde achtergebleven broer ofwel ouder is dan hij, ofwel niet veel meer dan een vage herinnering in het geheugen van zijn nakomelingen'. Veel fysici vonden deze paradox moeilijk te verteren, maar de 'klokparadox' waarop hij is gebaseerd, lijkt experimenteel te zijn bevestigd, zodat het enige alternatief ervoor de aanname zou zijn dat het leven op aarde onder alle omstandigheden gebonden blijft aan een tijdsbegrip dat aantoonbaar niet behoort tot de 'ware realiteiten', maar tot de loutere verschijnselen. We hebben het stadium bereikt waarin de cartesiaanse radicale twijfel aan de realiteit als zodanig, het eerste filosofische antwoord op de wetenschappelijke ontdekkingen in de moderne tijd, onderworpen kan worden aan fysieke experimenten die korte metten zouden maken met de beroemde troost van Descartes, 'Ik twijfel, dus ik ben', en met diens overtuiging dat wat ook de staat is van de realiteit en van de waarheid zoals die aan de zintuigen en de rede gegeven zijn, je niet kunt 'twijfelen aan je twijfel en in onzekerheid kunt verkeren of' je twijfelt of niet'. Het belang van het ruimtevaartproject staat volgens mij buiten kijf, en alle bezwaren die er op een zuiver utilitair niveau tegenin worden gebracht - dat het te duur is, dat het geld beter besteed kan worden aan onderwijs en de verbetering van de levensomstandigheden van de burgers, aan de strijd tegen armoede en ziekte of welke andere loffelijke doelstellingen je ook kunt verzinnen - klinken me wat absurd in de oren; ze lijken uit de toon te vallen met de dingen die op het spel staan en waarvan de gevolgen nu moeilijk voorspelbaar lijken. Er is nog een andere reden waarom ik denk dat deze argumenten niet ter zake zijn.
Ze zijn vooral niet van toepassing omdat de hele onderneming alleen tot stand kon komen dankzij de verbazingwekkende ontwikkeling van de wetenschappelijke vermogens van de mens. De integriteit van de natuurwetenschap vereist dat niet alleen nuttigheidsoverwegingen, maar ook de aandacht voor de status van de mens worden opgeschort. Heeft niet elke stap voorwaarts van de wetenschap sinds de tijd van Copernicus bijna automatisch geleid tot een verlaging van zijn status? En is het vaak herhaalde argument dat het de mens was die in zijn zoektocht naar de waarheid zijn eigen degradatie bewerkstelligde en zo opnieuw zijn superioriteit bewees en zelfs zijn status verhoogde - is dit argument meer dan een sofisme? Misschien zal dit het geval blijken. Hoe dan ook, voor zover de mens een natuurwetenschapper is, interesseert zijn eigen status in het universum hem niet, en evenmin zijn positie op de evolutionaire ladder van het dierlijk leven; deze onverschilligheid vormt zijn trots en zijn glorie. Het simpele feit dat fysici zonder te aarzelen het atoom splitsten op het moment dat ze wisten hoe dat in zijn werk gaat, terwijl ze zich maar al te goed de kolossale destructieve potentie van hun experiment realiseerden, toont aan dat de natuurwetenschapper qua wetenschapper zich zelfs niet bekommert om het voortbestaan van onze planeet, laat staan het overleven van het menselijk ras op aarde. Alle actiegroepen met Atoms for Peace in het vaandel, alle waarschuwingen om de nieuwe krachtbron niet op een onbezonnen manier te gebruiken, en zelfs de gewetenswroeging die veel wetenschappers ervoeren toen de eerste kernbommen op Hiroshima en Nagasaki vielen, kunnen dit eenvoudige, elementaire feit niet verdoezelen. Want bij al deze inspanningen handelden de wetenschappers niet als wetenschappers, maar als burgers, en als hun stem meer autoriteit heeft dan die van de leek, dan is dat alleen zo omdat de wetenschappers de beschikking hebben over preciezere informatie. Geldige en plausibele argumenten tegen de 'verovering van de ruimte' konden alleen naar voren worden gebracht indien ze zouden aantonen dat de gehele onderneming wellicht aan zichzelf te gronde zou gaan. Er zijn enkele aanwijzingen dat zoiets inderdaad het geval kan zijn. Als we de menselijke levensverwachting buiten beschouwing laten - die de mens onder geen beding (zelfs niet als de biologie erin zou slagen de levensduur van de mens aanzienlijk te verlengen en de mens bovendien met de snelheid van het licht zou kunnen reizen) in staat zal stellen meer dan zijn onmiddellijke omgeving in het onmetelijke heelal te verkennen - is Heisenbergs ontdekking van het onzekerheidsprincipe de belangrijkste aanwijzing dat de onderneming aan haar eigen veronderstellingen ten onder zou kunnen gaan. Werner Heisenberg heeft onomstotelijk aangetoond dat de nauwkeurigheid van alle metingen aan de 'mysterieuze boodschappers uit de werkelijke wereld' die door de mens geconstrueerde instrumenten kunnen verrichten, exacte en definitieve beperkingen kent. Het onzekerheidsprincipe 'stelt dat er bepaalde paren kwantiteiten zijn, zoals de positie en de snelheid van een deeltje, die zich zo tot elkaar verhouden dat de bepaling van één ervan met een grotere mate van precisie noodzakelijkerwijs inhoudt dat de bepaling van het andere met een geringere mate van precisie plaatsvindt'. Heisenberg concludeert hieruit dat 'we door een bepaald type observatie te kiezen, besluiten welke aspecten van de natuur bepaald moeten worden en welke we onbepaald willen laten'. 24 Hij stelt dat 'het belangrijkste nieuwe resultaat van de kernfysica bestond in het inzicht dat volkomen verschillende typen natuurwetten zonder tegenspraak op een en dezelfde fysische gebeurtenis van toepassing kunnen zijn. Dit is het gevolg van het feit dat binnen een systeem van wetten die zijn gebaseerd op zekere fundamentele ideeën, alleen bepaalde, zeer welomschreven manieren van vragen stellen zinvol zijn, en dus dat zo'n systeem is afgezonderd van andere systemen die in staat stellen tot het formuleren van andere vragen'. En hieruit concludeerde hij weer dat de moderne zoektocht naar de 'ware realiteit' achter de loutere verschijnselen, die de wereld heeft voortgebracht waarin we nu leven en die resulteerde in de atoomrevolutie, heeft geleid tot een situatie in de natuurwetenschappen waarin de mens de objectiviteit van de natuurlijke wereld heeft verloren, zodat hij, op jacht naar de 'objectieve realiteit', plotseling ontdekte dat hij 'altijd alleen zichzelf tegenkomt'. Naar mijn idee overstijgen de opmerkingen van Heisenberg het terrein van de strikt wetenschappelijke praktijk in hoge mate, en krijgen ze extra scherpte als ze worden toegepast op de technologie die uit de moderne natuurwetenschap is ontstaan. Gedurende de laatste decennia, vanaf het moment dat de natuurwetenschap werd geabsorbeerd door de technologie en zo haar intrede deed in de feitelijke wereld waarin we ons alledaagse leven leiden, heeft elke vooruitgang in de wetenschap geleid tot een ware stortvloed van wonderbaarlijke instrumenten en zelfs nog vernuftigere apparaten. Dit alles maakt dat de mens iets in de hem het met de dag onwaarschijnlijker omringende wereld tegenkomt wat niet door de mens is gemaakt en dus in laatste instantie niet, in een bepaalde gedaante, hijzelf is. De astronaut die het heelal in wordt gelanceerd, gevangen in zijn met instrumenten volgestouwde ruimtecapsule waarin elk daadwerkelijk fysiek contact met zijn omgeving zijn onmiddellijke dood zou inhouden, kan goed worden beschouwd als de symbolische belichaming van Heisenbergs mens - hoe vuriger die mens alle antropocentrische overwegingen uit zijn contact met de niet-menselijke wereld om zich heen wil elimineren, des te onwaarschijnlijker het is dat hij ooit iets anders dan zichzelf en door mensen gemaakte dingen zal tegenkomen.
Ik meen dat op dit punt de interesse van de humanist voor de mens en diens status op dezelfde hoogte komen als die van de wetenschapper. Het is alsof de natuurwetenschappen iets hebben gedaan wat de geesteswetenschappen nooit tot stand hadden kunnen brengen, namelijk onloochenbaar de validiteit van deze interesse aantonen. Zoals de situatie zich vandaag de dag aan ons voordoet, lijkt ze op zonderlinge wijze op een nauwgezette bevestiging van een opmerking van Franz Kafka, die hij noteerde aan het prille begin van deze ontwikkeling: de mens, zei hij, 'heeft het archimedische punt gevonden, maar hij heeft het tegen zichzelf gebruikt; en het lijkt erop dat het hem alleen onder deze voorwaarde was vergund dat punt te vinden'. Want de verovering van de ruimte, de zoektocht naar een punt buiten de aarde van waaraf het mogelijk zou zijn om de planeet zelf te bewegen, haar als het ware uit de scharnieren te lichten, is geen toevallig resultaat van de moderne natuurwetenschap. Die was vanaf haar allereerste begin geen 'natuur-', maar een universele wetenschap; ze was geen fysica, maar een astrofysica die naar de aarde keek vanuit een punt in het heelal. In termen van deze ontwikkeling betekent de poging om de ruimte te veroveren dat de mens hoopt te kunnen reizen naar het archimedische punt dat hij louter dankzij zijn abstractievermogen en verbeeldingskracht voor zich zag. Maar door dat te doen verspeelt hij onvermijdelijk zijn voordeel. Alles wat hij vindt, is het archimedische punt ten opzichte van de aarde, maar als hij daar eenmaal is gearriveerd en de absolute macht over zijn aardse habitat heeft verworven, zou hij een nieuw archimedisch punt nodig hebben, en zo ad infinitum. Met andere woorden: de mens kan alleen maar verloren raken in het onmetelijke universum, want het enige echte archimedische punt zou de absolute leegte achter het universum zijn. Zelfs als de mens inziet dat er absolute grenzen zijn aan zijn zoektocht naar kennis en dat het wellicht wijs is om het bestaan van zulke grenzen te vermoeden wanneer blijkt dat de natuurwetenschapper tot meer in staat is dan hij kan bevatten, en zelfs als hij zich realiseert dat hij de 'ruimte niet kan veroveren', maar in het gunstigste geval wat ontdekkingen kan doen in ons zonnestelsel - is de reis de ruimte in, naar het archimedische punt ten opzichte van de aarde, hoe dan ook geenszins een onschuldige of een op voorhand zegenrijke onderneming. Ze zou kunnen bijdragen tot de status van de mens voor zover die mens, als onderscheiden van andere levende wezens, een zo groot mogelijk 'territorium' als zijn thuis wenst te beschouwen. In dat geval zou hij slechts in bezit nemen wat van hem is, hoewel het hem veel tijd kostte dit te ontdekken. Deze nieuwe bezittingen, zoals elk eigendom, zouden begrensd moeten worden, en wanneer de grenzen bereikt zijn en de beperkingen vastgesteld, zou het nieuwe wereldbeeld dat er mogelijkerwijs uit zou voortkomen waarschijnlijk wederom geocentrisch en antropomorf zijn, zij het niet in de oude betekenis met de aarde als middelpunt van het universum en de mens als kroon der schepping. Het zou geocentrisch zijn in de zin dat de aarde, en niet het universum, het centrum en thuis is van de sterfelijke mens, en antropomorf in de zin dat de mens zijn feitelijke sterfelijkheid zou rekenen tot de elementaire voorwaarden waaronder zijn wetenschappelijke inspanningen überhaupt mogelijk zijn. Op dit moment zijn de kansen op ‘zo'n iedereen tot voordeel strekkende ontwikkeling en oplossing van de huidige problemen van de moderne wetenschap en technologie’ niet bijster groot. We hebben ons huidige vermogen om de 'ruimte te veroveren' verworven dankzij onze nieuwe vaardigheid om de natuur vanuit een punt in het universum buiten de aarde te benaderen. Want dat is wat we feitelijk doen wanneer we energieprocessen ontketenen die gewoonlijk alleen in de zon plaatsvinden, of proberen in een reageerbuis processen van kosmische evolutie te simuleren, of machines bouwen voor de productie en beheersing van energieën die onbekend zijn in de huishouding van de aardse natuur. Zonder daadwerkelijk de positie in te nemen waar Archimedes naar verlangde, hebben we een manier gevonden om op de aarde in te werken alsof we al over de aardse natuur beschikken van buiten, vanuit het punt van Einsteins 'vrijelijk in de ruimte zwevende waarnemer'. Als we vanuit dat punt neerkijken en de verschillende activiteiten van de mensen beschouwen en wat zich verder op aarde afspeelt, dat wil zeggen als we het archimedische punt op onszelf toepassen, dan zullen deze activiteiten inderdaad op ons overkomen als niet meer dan 'observeerbaar gedrag', dat we met dezelfde methoden kunnen bestuderen als waarmee we het gedrag van ratten onderzoeken. Bezien vanaf de juiste afstand zullen de auto's waarin we rijden en waarvan we weten dat we ze zelf gebouwd hebben, eruitzien alsof ze, zoals Heisenberg het eens formuleerde, 'een net zo onvermijdelijk deel van onszelf zijn als het slakkenhuis is voor zijn bewoner'. Al onze trots op wat we kunnen, zal vervagen tot een bepaalde mutatie van het menselijk ras; de totaliteit van de technologie zal zich, bezien vanuit dit punt, in feite niet langer voordoen 'als het resultaat van een bewuste menselijke poging om de materiële krachten van de mens uit te breiden, maar eerder als een grootschalig biologisch proces. Onder deze omstandigheden zouden spraak en de gewone omgangstaal in wezen geen zinvolle uitingen zijn die gedrag overstijgen, zelfs als ze dat alleen uitdrukken, en was het veel beter om ze te vervangen door het extreme en op zich betekenisloze formalisme van wiskundige tekens. De verovering van de ruimte en de wetenschap die haar mogelijk maakte, zijn gevaarlijk dicht tot dit punt genaderd. Als ze dat punt ooit bereiken, zal de status van de mens niet eenvoudigweg worden verlaagd, maar worden tenietgedaan.