Dinsdag, 7 Maart 1944
Lieve Kitty,
Als ik nu aan mijn leventje van 1942 denk, doet dat alles zo onwerkelijk aan. Een heel andere Anne beleefde dit godenleventje dan die, die hier nu wijs geworden is. Een godenleventje, dat was het. Aan elke hoek aanbidders, een stuk of twintig vriendinnen en kennissen, de lieveling van het merendeel der leraren, verwend door vader en moeder van boven tot onder, veel snoep, genoeg geld, wat wil je meer? Je zult me allicht willen vragen hoe ik al die mensen dan zo ingepalmd heb. Wat
Peter zegt: ‘Aantrekkelijkheid’, is toch niet helemaal waar. Elke leraar vond mijn gewiekste antwoorden, mijn grappige opmerkingen, mijn lachende gezicht en mijn kritische blik leuk, amusant en grappig. Meer was ik ook niet; een verschrikkelijke flirt, coquette en amusant. Een paar voordelen had ik, waardoor ik tamelijk in de gunst bleef, namelijk vlijt, eerlijkheid en gulheid. Nooit zou ik wie dan ook geweigerd hebben om af te kijken, snoep verdeelde ik met ruime handen ik was niet verwaand. Zou ik van al die bewondering niet overmoedig geworden zijn? Het is één geluk, dat ik middenin, op het hoogtepunt van het feest, opeens in de werkelijkheid kwam te staan, en het heeft ruim een jaar geduurd vóór ik er aan gewend was, dat er nergens meer bewondering kwam. Hoe zagen ze me op school? De aanvoerster bij grappen en grapjes, altijd haantje de voorste, nooit in een slechte bui of huilerig. Was het een wonder dat iedereen graag met me etste of me een attentie bewees?
Ik kijk op die Anne neer, alsof ze een leuk, maar erg oppervlakkig meisje was, dat met mij niets meer te maken heeft. Peter zei zeer terecht over me: ‘Als ik jou zag, was je steevast door twee of meer jongens en een troep meisjes omringd. Altijd lachte je en was je het middelpunt!’ Wat is er van dit meisje nog overgebleven? O zeker, ik heb mijn lachen en mijn antwoorden nog niet verleerd, ik kan nog net zo goed of nog beter de mensen bekritiseren, ik kan nog flirten, als ik ... wil. Daar zit het hem in, ik wil nog wel eens voor een avondje, een paar dagen, een week zo leven, schijnbaar onbezorgd en vrolijk. Maar aan het eind van die week zou ik doodmoe zijn en de eerste de beste, die over iets behoorlijks zou praten, erg dankbaar zijn. Ik wil geen
aanbidders, maar vrienden, geen bewonderaars voor een vleiend lachje, maar voor optreden en karakter. Ik weet heel goed, dat dan de kring om mij heen veel kleiner zou zijn. Maar wat hindert dat, als ik nog maar een paar mensen, oprechte mensen overhoud? Ondanks alles was ik in 1942 ook niet onverdeeld gelukkig; ik voelde me vaak verlaten, maar omdat ik van 's morgens tot 's avonds in de weer was, dacht ik niet na en maakte pret zoveel ik kon. Bewust of onbewust probeerde ik met grapjes de leegte te verdrijven. Nu bekijk ik mijn eigen leven en werk. Eén tijdperk er van is onherroepelijk afgesloten. De onbezorgde, onbekommerde schooltijd komt nooit meer terug. Ik verlang er niet eens meer naar, ik ben er bovenuit gegroeid, ik kan niet alleen maar plezier maken, een deeltje van me bewaart altijd zijn ernst. Ik zie mijn leventje tot aan Nieuwjaar 1944 als onder een scherpe loupe. Thuis het leven met veel zon, dan in 1942 hier, de plotselinge overgang, de ruzies, de beschuldigingen. Ik kon het niet vatten, ik was overrompeld en wist niets anders om mijn houding te bewaren dan brutaliteit. De eerste helft van 1943; mijn huilbuien, de eenzaamheid, het langzame inzien van al die fouten en gebreken, die zo groot zijn en nog dubbel zo groot leken. Ik praatte overdag over alles heen, probeerde Pim naar me toe te trekken; het lukte niet. Ik stond alleen voor de moeilijke taak me zó te maken, dat ik geen verwijten meer zou horen, want die drukten me neer tot een vreselijke moedeloosheid.
De tweede helft van het jaar werd het iets beter, ik werd meer als volwassene beschouwd. Ik begon te denken, verhalen te schrijven en kwam tot de slotsom, dat de anderen geen recht meer hadden mij als een slingerbol van links naar rechts te trekken. Ik wilde mezelf hervormen naar mijn eigen wil. Maar één ding dat me nog méér raakte was, dat ik inzag, dat ook vader nooit mijn vertrouwde in alles zou worden. Ik wilde niemand meer vertrouwen dan mezelf. Na Nieuwjaar: de tweede grote verandering, mijn droom ... Daarmee ontdekte ik mijn verlangen naar een jongen; niet naar een meisjes-vriendin, maar naar een jongens-vriend. Ik ontdekte ook het geluk in mezelf en mijn pantser van oppervlakkigheid en vrolijkheid. Bij tijd en wijle werd ik stil, ontdekte mijn grenzeloos verlangen naar alles wat mooi en goed is. En 's avonds, als ik in bed lig en mijn gebed eindig met de woorden: ‘Ik dank je voor al het Goede en Lieve en Mooie’, dan jubelt het in mij. Dan denk ik aan ‘het Goede’ van het onderduiken, van mijn gezondheid en mijn hele zelf, aan ‘het Lieve’ van Peter, dat wat nog klein en gevoelig is en wat we alle twee nog niet durven noemen of aanraken, dat wat eens komen zal, de liefde, de toekomst, het geluk en aan ‘het Mooie’ dat de wereld is; de wereld, de natuur, de schoonheid en al, al het mooie bij elkaar. Dan denk ik niet aan al de ellende, maar aan het mooie dat nog overblijft. Hierin ligt voor een groot deel het verschil tussen moeder en mij. Haar raad voor zwaarmoedigheid is: ‘Denk aan al de ellende in de wereld en wees blij, dat jij die niet beleeft!’ Mijn raad is: ‘Ga naar buiten, naar de velden, de natuur en de zon, ga naar buiten en probeer het geluk in jezelf te hervinden en in God. Denk aan al het mooie dat er in en om jezelf nog overblijft en wees gelukkig!’ Volgens mij kan moeders zin niet opgaan, want wat moet je doen, als je zelf de ellende beleeft? Dan ben je verloren. Daarentegen vind ik, dat er nog altijd iets moois overblijft, aan de natuur, de zonneschijn, de vrijheid, aan jezelf, daar heb je wat aan. Kijk daarnaar, dan vind je jezelf weer en God, dan word je evenwichtig. En wie gelukkig is, zal ook anderen gelukkig maken, wie moed en vertrouwen heeft, zal nooit in de ellende ondergaan!
Je Anne.