DE STOÏCIJNEN
1. Stichter en voornaamste vertegenwoordigers van de stoïsche wijsbegeerte
Wanneer wij tegenwoordig de 'stoïcijnse' rust en gelatenheid van een politicus of sportman prijzen, beseffen we waarschijnlijk niet dat dit woord afkomstig is van een openbaar gebouw in Athene, de 'Stoa Poikile'. In deze 'bonte zuilengang' namelijk stichtte Zeno uit Cition op Cyprus, meestal Zeno de stoïcijn genoemd om hem te onderscheiden van zijn scherpzinnige naamgenoot uit Elea, na een veelbewogen leven zijn eigen filosofenschool.
Zeno leefde tussen 340 en 260 v. Chr. Hij was waarschijnlijk van Grieks-Oosterse afkomst. Twee andere belangrijke vertegenwoordigers van het stoïcisme in de begintijd zijn Cleanthes en Chrysippus. Welke gedachten men aan elk van deze drie moet toewijzen, is moeilijk uit te maken, omdat van de oudste stoïcijnse geschriften alleen fragmenten bewaard zijn gebleven.
Naast deze zogenoemde Oude Stoa onderscheidt men een Midden Stoa (hoofdvertegenwoordiger Posidonius) en een Latere Stoa. De denkers van de latere Stoa zijn veel bekender geworden dan de oudere stoïcijnen. De belangrijkste zijn: de Romein Lucius Annaeus Seneca, een van de meest vruchtbare en spirituele Romeinse schrijvers, die in 65 n. Chr. op bevel van keizer Nero een einde maakte aan zijn leven; keizer Marcus Aurelius (I2 I-180), en de als slaaf geboren Epictetus (ongeveer 50-130 n. Chr.). De inkeer tot zichzelf van de keizer en het 'Handboekje voor de moraal' van de slaaf beschrijven de stoïcijnse leer in een sprekende en gemakkelijk te begrijpen vorm. Beide geschriften zijn een goede en gemakkelijke leidraad tot begrip van het stoïcisme.
Keizer Marcus Aurelius nam als jongen van twaalf jaar de leer van de stoïsche filosofie in zich op en bleef ze zijn hele leven trouw; hij bracht ze in praktijk, niet alleen in zijn persoonlijk leven, maar ook als staats-man. De stoïcijnse deugden van moed, onwrikbaarheid en plichtsgetrouwheid verenigen zich in hem en maken hem tot een werkelijk groot vorst. De geschiedenis kent nauwelijks een tweede voorbeeld van een zo grote macht, uitgeoefend met zoveel zelfbeheersing en zelfverloochening. 'Azië, Europa - hoekjes van de wereld; de hele oceaan - een druppel in het heelal! De Athos - een onbetekenende aardkluit van de wereld; de tegenwoordige tijd - een moment van de eeuwigheid!' Een heerser die dit zeggen kon stond zo hoog en zag zover, dat het hem behoedde voor enghartigheid en eenzijdigheid en hem in staat stelde weerstand te bieden aan de verleiding van heerszucht en keizerwaan, aan willekeur, verkwisting en decadentie; hij kon een verantwoording dragen waartegen maar weinigen van zijn voorgangers en opvolgers waren opgewassen. Hij verachtte praal en luxe en bracht, gekleed in een eenvoudige soldatenmantel, een groot deel van zijn leven door in de legerplaatsen van zijn legioenen, plichtsgetrouw de belangen van het rijk behartigend.
2. Aard en onderverdeling van het stelsel
De Stoa is, zeker wat haar belangrijkste onderdeel, de ethiek betreft, nauw verwant aan de socratische school van de cynici. Wel matigt zij de vele overdrijvingen van het oude cynisme en maakt daardoor een verdere verspreiding van haar leer mogelijk. Verder geeft zij het kennen een veel belangrijker plaats, Deze twee elementen - aansluiten bij en overstijgen van de cynici - zien we al in het leven van Zeno zelf. Hij sluit zich in Athene aan bij de cynicus Crates (over wie eenzelfde soort anekdotes bestaat als over Diogenes in zijn ton), maar komt na enige tijd tot de overtuiging dat deze leer alleen geen volledig levensprogramma kon bieden. Hij bestudeerde andere wijsgeren en stichtte uiteindelijk een eigen school, waarin cynische leerstellingen verweven zijn met die van andere filosofen, bijvoorbeeld Heraclitus. Leno scheidde, wat ook van andere stoïcijnen wordt bericht, vrijwillig van het leven.
Van de stoïcijnen stamt de verdeling van de wijsbegeerte in logica, fysica en ethica, die lange tijd gangbaar is gebleven. De ethiek komt op de eerste plaats. Logica en fysica zijn de voorbereidende stappen hiertoe.
In de logica hebben de stoïci verder gebouwd op het door Aristoteles
gelegde fundament. Zij onderscheiden twee delen: de retorica ofwel de kunst alleen (in monoloog) aan het woord te zijn, en de dialectiek ofwel de kunst samen met anderen te redeneren en te denken. Wat de vraag betreft of aan het particuliere dan wel aan het algemene werkelijkheid toekomt, kiezen zij geheel de zijde van Aristoteles. Consequenter dan hij concluderen zij uit de enige werkelijkheid van de concrete dingen, dat kennis moet uitgaan van waarneming van het concrete, kortom van de ervaring. Zij zijn dus empirici. Het verstand is bij de geboorte een onbeschreven blad papier ('tabula rasa'), waarop pas de ervaring voorstellingen aanbrengt. De tien categorieën van Aristoteles brengen ze terug tot vier.
Ook de stoïsche fysica kan slechts met enkele trefwoorden worden aangeduid. Zij is in de eerste plaats materialistisch. Alleen het lichamelijke bestaat, in grover of fijner vorm. In de tweede plaats is zij monistisch. Zij kent niet twee of meer oerbeginselen, maar slechts één. Verder leert zij, steunend op de leer van Heraclitus over het oervuur, een strenge, in het heelal zelf gelegen (immanente) wetmatigheid. Deze van binnenuit werkende (dus niet aan de materie tegengestelde) determinerende kracht noemen zij Logos, Nous, Ziel, Noodzakelijkheid, Voorzienigheid, of ook God (Zeus). Omdat het goddelijke voor hen worden genoemd dus samenvalt met het levende wereldgeheel, kan hun leer pantheistisch Hoeveel deze opvatting over de alles regerende goddelijke rede voor de stoïci betekende, blijkt uit de beroemde hymne aan Zeus, van de stoïcijn Cleanthes. Deze begint als volgt:
'Gij, allerhoogste der goden, met talloze namen benoemde, die de natuur met eeuwige wetten beheerst, haar bestuurt, U groet ik, o Zeus. Want de stervelingen, o Vader, mogen u toespreken, wij zijn immers van uw geslacht en al wat leeft op aarde is weerklank van uw stem.
Dus wil ik u, Zeus, Loven en eeuwig uw almacht bezingen, u, naar wie in het wijde heelal de aarde en de sferen van alle werelden zich willig voegen, waarheen gij hen ook voert.
Want gij houdt in uw onoverwinnelijke hand uw bode, de eeuwiglevende, vlammende, dubbelpuntige bliksem:heel de wereld siddert, verpletterd onder zijn slagen.
Zo bestuurt gij de geest der natuur, die ingeplant in het grote en het kleine,
zich mengt in alle wezens en dingen.
De hoogste koning van het heelal, buiten wie noch op aarde, noch in de zee iets geschiedt, noch ook in de etherische hemel, behalve wat zondig geslacht, van zinnen beroofd, durft bedenken.
Maar ook het wilde weet gij tot voegzame orde te roepen, gij schept vorm uit het vormeloze, bejegend het kwade vriendelijk: zo voegt gij alles tot één harmonie, het kwade ten goede, dat in de wijde natuur één eeuwig heersende wet zij, cen, waaraan enkel de boosdoener vergeefs zich wil onttrekken..."
3. De stoïsche ethiek
Alleen de met rede begaafde mens kan de goddelijke wetmatigheid verstaan en zich in bewust handelen daarnaar richten. Leven volgens de natuur is daarom het sleutelwoord van de stoïsche ethiek. Omdat de mens krachtens zijn natuur een redelijk wezen is, betekent leven volgens de natuur voor hem leven volgens de rede. Daarin bestaat de enige deugd, daarin bestaat ook het enige geluk. Al deze dingen betekenen hetzelfde.
Een dergelijke deugd is het enige goed. Daar staat een enig kwaad tegenover: de slechtheid van een niet-redelijk en dus niet-deugdzaam leven. Al het andere: leven, gezondheid, bezit en eer, dingen die anderen hoog aanslaan, evenals ouderdom, ziekte, dood, armoede, slavernij en oneer, die door anderen worden geschuwd, is voor de stoïcijn noch goed, noch slecht, maar onverschillig.
Het komt eropaan in te zien, wat goed, wat slecht en wat onverschillig is. Zowel het inzicht in de juiste waarden, als het streven ons handelen naar deze waarden te richten, wordt gehinderd door onze affecten (driften, hartstochten). Zij bedriegen onze rede, zij spiegelen ons het onverschillige of het slechte voor als waardevol en drijven ons het na te streven. De mens moet dus voortdurend strijd voeren tegen de effecten. Het doel van de deugd is pas bereikt, als deze geheel zijn overwonnen en de ziel vrij is van hartstochten. Deze toestand noemen de stoïcijnen hartstochtloosheid (Grieks: 'apatheia', Nederlands: apathie, apathisch).
Wie die toestand heeft bereikt is wijs. Alleen zo iemand is vrij, want hij heeft inzicht in het noodzakelijke en doet het; hij alleen kan rijk, rechtvaardig, deugdzaam en gelukkig heten; hij is onafhankelijk van al het uiterlijke en soeverein als een koning. Alle andere mensen, en zij vormen de meerderheid, zijn dwazen.
Tot zover komt alles nog overeen met de ethiek van de cynici. Maar de stoïcijnen - en hierin openbaart zich de Romeinse geest - proberen bovendien het ideaal van de wijze in overeenstemming te brengen met het grotere geheel, waarin de mens zijn plaats heeft en waaraan hij verplichtingen heeft. Dat wordt vooral op twee manieren geprobeerd.
Ten eerste wordt de oorspronkelijke leer, die eenvoudig al het uiterlijke tot de onverschillige zaken ('adiaphora') rekent, zodanig veranderd dat men aan bepaalde dingen positieve waarde toekent en aan andere negatieve waarde; alleen de rest is volstrekt zonder waarde, 'onverschillig. Zo krijgen huwelijk, gezin en staat een, zij het beperkte, rechtvaardiging.
De tweede manier is echter belangrijker. De cynische leer was in wezen egoïstisch. De cynische wijze leeft alleen voor zijn eigen onafhankelijkheid en innerlijke vrijheid; de rest kan hem niet schelen. De stoïcijnen daarentegen kennen en prijzen de vriendschap tussen wijzen en stellen bovendien twee fundamentele sociale eisen: rechtvaardigheid en mensenliefde, alle twee meer omvattend dan ooit tevoren in de oude wereld. Zij strekken zich namelijk uit tot alle mensen, dus ook tot slaven en barbaren. Het zijn echt revolutionaire eisen, want tot nu toe had men onder 'mens' geheel vanzelfsprekend de vrije Griekse en Romeinse burger verstaan. Deze eisen zijn natuurlijk een uitvloeisel van de politieke en maatschappelijke omwenteling: het Romeinse Rijk omvatte veel volken die vroeger als barbaren werden beschouwd en die nu burgerrecht probeerden te krijgen. Anderzijds waren die eisen van beslissende invloed op de ontwikkeling in die richting, bijvoorbeeld in het Romeinse recht. Zo hebben de stoïcijnen als eersten in de oudheid gepleit voor een ruime menselijkheid en ook voor een even ruim kosmopolitisme.
De zedelijke hoogte, waartoe het stoïcisme zich verheft, vindt eveneens haar weerklank in de boven geciteerde hymne van Cleanthes:
'Ach de dwazen! die steeds weer bezit van goederen begeren, het al beheersend richtsnoer van de hoogste bestuurder miskennen en niet willen horen wat, als ze ernaar luisterden, hun het gelukkige leven zou schenken: nu rennen ze allemaal links-rechts aan het goede voorbij, de dwazen.
Deze vecht om eer; die zoekt gewin met verachtelijke hebzucht, een derde zoekt smachtend de rust en smeltende weelde der wellust, allen van ijver verteerd, om hun nietige zucht te vervullen.
Maar, o in wolken gehulde Zeus, gebieder der bliksems, gij die alles ons schenkt, bevrijd toch de mensen van ijdele waan;
neem de wolk weg van hun zielen, gij Vader; doe ze de regel zien waarnaar gij alles billijk en gerecht regeert, opdat wij, die gij wilde eren, op onze beurt u eren en uw heerlijke daden bezingen, zoals het stervelingen past: 'want er is geen groter vreugde, noch voor mensen noch voor goden, dan altijd en eeuwig in woord en daad de wet die het heelal beheerst te prijzen.'
Uit: Hans Joachim Störig, Geschiedenis van de filosofie, spectrum, 24ste druk 2023.