SCHOPENHAUER ALS PESSIMIST EN MISANTROOP
Deus Ex Machina, n° 140 – Misantropie, juni 2012
Onze cultuur is door en door therapeutisch.
Wanneer je jezelf niet goed voelt in je vel kan je soelaas zoeken in yoga, antidepressiva, mindfulness, 'neuro linguistisch’-programmeren, hypnotherapie, gebedsgenezers, reality-tv, James Redfield, tantraseks of bloemschikken. Sommige therapieën willen de stress verminderen, anderen willen je zelfvertrouwen opkrikken of je angsten reduceren, en enkelen zijn niet meer dan een vorm van bezigheidstherapie. Je hoeft zelfs geen hulp te zoeken om goedbedoelde aanmoedigingen te krijgen. Ook in het alledaagse leven geven mensen graag aansporingen als 'Je kan het!, 'Het leven is mooi!, 'Geloof in jezelf!', 'Wees optimistisch!' in de hoop je daar een dienst mee te bewijzen.
Maar misschien zijn deze aansporingen wel wreed. Wat als het dan toch misloopt? Wat als je wordt bedrogen, vernederd, gemanipuleerd, verraden of verlaten? Wat als je toch kanker krijgt of door een ongeluk wordt verminkt? Wat als je gewoon aartslelijk of gehandicapt wordt geboren? De filosoof Schopenhauer zou dan ook andere leuzen aanbevelen. Bijvoorbeeld: 'Wat een ellende', 'Het leven is totaal zinloos' of ‘Ooit ga je toch dood' En dit laatste is onweerlegbaar. Doodgaan doet iedereen wel een keer.
Leven
Arthur Schopenhauer is een kind van zijn tijd, een filosoof uit de romantiek. En romantiek is geen etentje bij kaarslicht of intiem baden tussen zeepbellen en rozenblaadjes, zoals tijdschriften en films ons maar al te graag willen doen geloven. Romantiek is lijden aan een onvervuld verlangen. Goethe, een tijdgenoot van Schopenhauer en een van de weinige personen waar Schopenhauer ooit een zeker respect voor had gevoeld, werd beroemd met een roman die dit levensgevoel goed heeft verwoord. En deze roman draagt niet voor niets de titel Het lijden van de jonge Werther. Het is het verhaal van een jongeman die zichzelf door het hoofd schiet wanneer hij beseft dat het object van zijn liefde voor hem onbereikbaar zal blijven. Goethe zou de inspiratie voor dit verhaal uit zijn eigen leven hebben gehaald. Ook hij had een ongelukkige liefde te verwerken. Echter: hij schoot zichzelf niet door het hoofd, maar schreef er een boek over. Hij verwerkte zijn gevoelens op een artistieke manier. Kunst maakt het leven draaglijk. Schopenhauer schreef geen roman, maar kan beschouwd worden als de filosoof die het romantische levensgevoel zo 'nuchter' mogelijk heeft proberen te verwoorden. Thomas Mann karakteriseerde Schopenhauer niet voor niets als de 'rationeelste filosoof van het irrationele. Schopenhauer werd in 1788 in Danzig geboren.
Zijn vader was een rijke koopman en Arthur erfde genoeg geld om zijn verdere hele leven financieel onafhankelijk te kunnen blijven. Zijn moeder was schrijfster van liefdesromans en vertoefde in literaire kringen. Hierdoor kwam Schopenhauer in contact met o.a. Goethe en Majer. Die laatste bracht hem in contact met de Indiase filosofie, wat zijn weerslag had op zijn denken. Toen hij negen jaar was, werd hij naar Frankrijk gezonden waar hij vloeiend Frans leerde spreken. Daarnaast beheerste hij Duits, Engels, Spaans, Italiaans, Latijn, (oud) Grieks en Sanskriet. Vanaf zijn vijftiende verjaardag reisde hij met zijn ouders naar Nederland, Engeland, Frankrijk, Zwitserland en Oostenrijk. Schopenhauer wilde niet in het zakenleven stappen en ging medicijnen studeren. Maar algauw stapte hij over op filosofie. Hij las Plato, Kant en de Upanishaden (het filosofische deel van de Indische heilige boeken, de Veda's). Schopenhauer was de eerste Westerse filosoof die goed op de hoogte was van de Oosterse wijsheid. Hij sloeg dan ook als eerste een brug tussen Westers en Oosters denken. Schopenhauer voltooide het eerste deel van zijn hoofdwerk De wereld als wil en voorstelling op 28-jarige leeftijd. Het bleef onopgemerkt en Schopenhauer stockeerde de onverkochte boeken in zijn kelder. Op zijn 54ste publiceerde hij het tweede deel dat bestaat uit aanvullend commentaar op de eerste versie.
Maar erkenning kreeg hij pas door de publicatie van een systematische bundeling van losse teksten en beschouwingen onder de titel Parerga en Paralipomena. Ondanks de ongelukkige titel zijn deze teksten toegankelijker dan zijn hoofdwerk. Het werk kende al vrij snel succes en Schopenhauer kreeg eindelijk erkenning. Kort daarna (in 1860) stierf hij in Frankfurt am Main.
Ontmaskering
Wanneer je het werk van Schopenhauer leest, merk je snel dat hij schreef vanuit een niets ontziende eerlijkheid. En zowat alle historische bronnen bevestigen dat Schopenhauer ook zo waarachtig mogelijk leefde. Oprechtheid wordt alom geprezen als een aan te moedigen levenshouding, maar zelden toegepast in de praktijk. Schopenhauer deed dit wel en deze karaktertrek maakte hem dan ook tot een onaangepast individu. Hij vertelde geen leugentjes als sociaal glijmiddel. Hij kon geen complimentjes maken die zo noodzakelijk zijn om sociale relaties te onderhouden. Hij vertelde wat hij voelde en dacht, onverbloemd. Dit ging soms zo ver dat hij zijn tijdgenoten en medefilosofen als Hegel uitschold en afschilderde als filisters of kwakzalvers. Lees hiervoor het vermakelijke en tegelijk wrange essay Over de universiteitsfilosofie. Daarin schildert hij de filosofen Fichte, Schelling en Hegel af als loonslaven die de ideologie van staat en kerk napraten met behulp van een intellectualistische woordenbrij dat elk oorspronkelijk denken lamlegt. Schopenhauer viel zijn universitaire collega's niet aan vanuit een laag gevoel van eigenwaarde. Integendeel, wanneer Schopenhauer schreef over genieën, had hij in de eerste plaats zichzelf op het oog, en opmerkelijk genoeg wordt hij daarbij nooit pedant of zelfgenoegzaam. Schopenhauer kraakte Hegel ook niet uit afgunst, maar omdat hij overtuigd was dat diens filosofie betekenisloos is. Het was des te pijnlijker voor Schopenhauer dat Hegel al vroeg de erkenning kreeg waar Schopenhauer zo naar verlangde, ook al was het Schopenhauer niet om de erkenning te doen, maar om het blootleggen van de waarheid.
Macht en lijden
De misantropie van Schopenhauer wordt gevoed door zijn vaststelling dat de meeste mensen niet kunnen of willen inzien dat elk handelen of elk menselijk streven grondeloos is. Het leven is zinloos en heeft geen uiteindelijk doel. Om deze fundamentele waarheid niet onder ogen te moeten zien, streven mensen naar macht. Het gevoel van macht is een illusie die de fundamentele machteloosheid van elke mens maskeert. Mensen stellen zichzelf tijdelijke doelen, zoals statusverhoging, eten of paren, maar in het licht van hun eigen sterfelijkheid zijn ze betekenisloos.
De kosmos bestaat uit een onpersoonlijke dynamiek (de wil) die zich niets aantrekt van menselijke beslommeringen of doeleinden. De meesten leven alsof de wereld ordelijk en overzichtlijk is en verkeren zodoende in de waan dat ze deze wereld naar hun hand kunnen zetten. En bovendien kloppen ze op hun borst wanneer dit door een toevallige samenloop van omstandigheden schijnt te lukken, om vervolgens neer te kijken op de 'verliezers' die daar blijkbaar niet toe in staat zijn. Je zou nu kunnen denken dat Schopenhauer dit schrijft vanuit een persoonlijke frustratie of een afgunst voor de 'winnaars. Dit is niet het geval. De ‘winners’ zijn volgens hem al evenveel te beklagen als de ‘losers’. Niemand ontsnapt aan de machtsdynamiek. Iemand die schatrijk en wereldberoemd is, lijdt evengoed als een dakloze of een nobody. Misschien dat de rijke toegang heeft tot betere gezondheidszorg en daarom langer leeft, maar dit betekent niets minder dan een verlenging van zijn lijden. Een gevoel van onmacht is voor veel mensen ondraaglijk, en daarom dekken ze dit gevoel toe met de illusie van macht. De vaststelling dat de meeste machtigen neerkijken op minder machtigen zegt genoeg. Iemand die daadwerkelijk gelukkig zou worden van een significante machtstoename zou die behoefte niet voelen. En iemand die geen macht heeft zou de behoefte niet voelen om op te kijken naar iemand met macht. De onophoudelijke machtsstrijd is niet te herleiden tot berekenend handelen, strategisch denken of uitgekiende machtsspelletjes, maar gaat vooraf aan elke doelbewuste planning. Schopenhauer is dus geen cynicus. De mens kiest er niet voor om machtswellustig te zijn, maar wordt nu eenmaal vanuit zijn aard zelf gedreven door een blinde manifestatiedrang die meestal onbewust blijft. Elke menselijke relatie of passie is een machtsverhouding en elke mens wil zijn invloedssfeer zo groot mogelijk maken. Dit is beklemmend, omdat je onbewust en onophoudelijk op je hoede bent, onafhankelijk van of je nu bovenaan of onderaan de pikorde staat. Hoe onschuldig een interactie ook lijkt, het streven naar macht komt tot uiting in elk gesprek, discussie of spel tussen vrienden, kinderen, echtelieden, kennissen en apen.
Maar al heb je het overwicht op iemand anders, wat bereik je daar dan écht mee, buiten een momentane en illusoire voldoening? Bovendien zijn er altijd personen en situaties over wie je geen macht hebt. De geldingsdrang gecombineerd met een natuurlijke zelfzucht bemoeilijkt oprecht menselijk contact, maakt dit bijna onmogelijk. Bovendien doen veel mensen alsof ze zelf niet gedreven worden door macht; ze vermommen hun eigen geldingsdrang onder valse ethiek of passieve agressie. Als er geen menselijke verhoudingen kunnen bestaan die niet meteen ook machtsverhoudingen zijn, kan je maar beter zo weinig mogelijk relaties met mensen aangaan.
Belangrijk is op te merken dat Schopenhauer hier niet met het moralistische vingertje wil zwaaien. Hij zegt niet: 'Oh, wat is het erg dat de mensen toch zo egoïstisch zijn en steeds maar weer willen domineren' Schopenhauer betreurt het vooral dat de mensen niet willen inzien dat dit la condition humaine is. Hij vindt de mensen niet moreel verwerpelijk, maar simpelweg dom of intellectueel lui. Wanneer mensen de intellectuele moed hadden om in te zien dat het leven bestaat uit een onophoudelijke strijd, daarenboven fundamenteel zinloos is en een aaneenschakeling is van lijden, zouden ze inzien dat het beter is om niet geboren te worden.
Vrouwenhaat en dierenliefde
Machtsverhoudingen liggen natuurlijk extra gevoelig in seksuele relaties. En Schopenhauer had niet echt veel succes in liefdesrelaties. Daarom had de heteroseksueel Schopenhauer ook zoveel moeite met vrouwen, en staat hij bekend als vrouwenhater. Deze zwakte in zijn persoonlijkheid resulteert in een nogal enggeestige beschouwing, over vrouwen. Hoe goed ook Schopenhauer de menselijke zwakheden kon waarnemen en 'foutief denken' kon ontrafelen, zijn vrouwenhaat vormt toch wel een blinde vlek in zijn eigen denken. Uitspraken als: 'Een man bereikt zijn verstandelijke en geestelijke rijpheid zelden voor zijn achtentwintigste, de vrouw daarentegen al op haar achttiende. Maar haar verstand is er dan ook naar: 'het is wel erg krap bemeten', zijn even serieus bedoeld als ze lachwekkend zijn. Schopenhauer beschrijft vrouwen als intellectueel en karakterieel inferieur. Hij gaat zelfs zover dat hij vrouwen esthetisch niet kan waarderen. Het onvolgroeide geslacht met zijn smalle schouders, brede heupen en korte benen het schone noemen, dat kon alleen het door de geslachtsdrift vertroebelde mannelijke geslacht (...). Bovendien zijn volgens Schopenhauer de vrouwen zelf verstoken van enig esthetisch gevoel. Hij noemt hen het 'ones-thetische geslacht. Hij beweert dat vrouwen echte schoonheid niet kunnen opmerken en hun voorkeur enkel gebaseerd is op het na-apen van mannen. De Hongaarse schrijver Stephen Vizinczey merkt hierover terecht het volgende op: Luisteren naar Schopenhauer over vrouwen is als luisteren naar een blinde die spreekt over kleuren' Schopenhauer kon beter om met dieren, dan met vrouwen of met mensen in het algemeen. In zijn verhandeling: Dat ben jij. Over de grondslag van de moraal schrijft hij: 'Medelijden met de dieren hangt zo nauw samen met de goedheid van het karakter, dat je met een gerust hart kunt beweren dat wie wreed is voor dieren geen goed mens kan zijn' Schopenhauer was dan ook een van de eersten die reageerde tegen dieren-mishandeling. De grens tussen mens en dier is volgens Schopenhauer niet strikt te trekken. Er is geen wezenlijk onderscheid. En als je een vergelijking maakt, valt de mens slechter uit. Schopenhauer karakteriseert de mens zelfs als het 'boosaardige dier'. Mensen kunnen huichelen, andere dieren niet. Mensen kunnen anderen pijn doen, louter en alleen omdat ze daar plezier in hebben. Dieren kwellen enkel andere dieren wanneer ze zich bedreigd voelen of wanneer ze honger hebben. Het is een bekende anekdote dat Schopenhauer zijn hond soms corrigeerde door hem 'mens' te noemen.
Kunst
Schopenhauer geeft een weinig hoopvolle diagnose van het menselijke bestaan. Toch zijn er enkele lichtpunten, al zijn deze enkel weggelegd voor een kleine 'elite'. Het eerste lichtpunt is een esthetische ervaring. Een ervaring van schoonheid is zeldzaam en legt de fundamentele drang om de omgeving te beheersen stil. Voor even ontsnap je aan de machtsdynamiek en word je verlost van het lijden. Je kan zelfs onbaatzuchtig genieten. Er is veel schoonheid in de wereld, maar deze wordt niet gezien door de meeste mensen, omdat deze enkel met zichzelf en hun behoeften bezig zijn. Schopenhauer stelt onomwonden dat de meeste mensen te oppervlakkig zijn om écht getroffen te worden door iets buiten henzelf en zodoende een object als esthetisch te ervaren. 'De doorsnee mens, deze fabriekswaar der natuur, die dagelijks bij duizenden wordt geproduceerd, is zoals gezegd niet in staat, en zeker niet voor langere tijd, om de dingen op een in alle opzichten onbaatzuchtige wijze te bekijken, een wijze van kijken die kenmerkend is voor de contemplatieve houding! (WWV, 1, p.297) De meesten zijn letterlijk te verstrooid. Ze kunnen zich maar moeilijk concentreren op iets buiten henzelf. Vandaag hoort men soms de klaagzang over de onoplettendheid en concentratieverlies van de jeugd, maar voor Schopenhauer is dit iets van alle tijden. Weinig mensen kunnen zich focussen. Voor de meesten is hun omgeving niets meer dan een reservoir dat zoveel mogelijk moet worden beheerst of naar hun hand moet worden gezet. De meesten detecteren hun omgeving vluchtig op zoek naar iets dat voor hen van belang kan zijn, naar iets dat ten dienste van de onmiddellijke behoeftebevrediging kan staan. Of het nu onoplettende studenten, CEO's of bejaarden zijn, allen denken aan hun komende maaltijd, aan de persoon die ze willen verleiden of aan een toename van hun populariteit of carrière.
Wanneer ze hebben gegeten, gevreeën of zijn gestegen op de maatschappelijke ladder, denken ze aan een volgende maaltijd, vrijpartij of carrièremove. En de omgeving is louter instrumenteel bij het verwezenlijken van hun doelstellingen, of achtergrondruis bij de beslommeringen die deze ambities met zich meebrengen. Kort gezegd: voor de gewone mens is de omgeving belangrijk zolang die daar baat bij heeft. Er is maar één soort persoonlijkheid die in staat is om een object onbaatzuchtig waar te nemen en als esthetisch te ervaren. Schopenhauer karakteriseert deze dun gezaaide persoonlijkheid als het 'genie. Een genie is iemand die de instrumentele verhouding tot de omgeving kan loslaten. Wanneer je een landschap ervaart als esthetisch denk je niet aan eventuele ontginning. Wanneer je een kunstwerk ervaart denk je niet aan eventuele commerciële exploitatie. Wanneer je opgenomen bent in en door een esthetisch object vergeet je al je dagelijkse beslommeringen. Daaruit volgt: '. ...dat men zich niet langer bewust is van zichzelf, maar uitsluitend van de aanschouwde objecten, dat wil zeggen dat het eigen bewustzijn alleen nog maar fungeert als drager van het objectieve bestaan van die objecten! (WWV, 2, p.460) Het volledig 'opgaan' in een vreemd object lijkt voor veel mensen enkel mogelijk onder invloed van LSD of iets dergelijks. Schopenhauer schrijft dan ook niet voor niets dat het genie lijkt op de waanzinnige. Het is nu eenmaal zo dat je nog moeilijk kan functioneren als je te veel opgaat in een object buiten jezelf. Je moet een zekere afstand bewaren ten opzichte van de dingen om te kunnen functioneren - en het normale functioneren is een strijd om zelfbehoud. De meeste mensen kunnen nergens in 'opgaan. Hun gedachten zijn verstrooid en op de toekomst gericht. Ze zijn met iets bezig en denken tegelijkertijd al aan iets wat ze daarna gaan doen. Het dagelijkse leven is volgens Schopenhauer een soort theater. De meeste mensen zijn marionetten of poppen die dansen op de grillen van het noodlot. De kunstenaar is het genie dat dit doorziet en die hier (tijdelijk) aan kan verzaken door het aanschouwen van een mooi object of een kunstwerk. Dit werkt verlossend.
De gewone mens kan het schone niet ervaren vanuit zichzelf. Het genie bezorgt de alledaagse mens de mogelijkheid om het schone te ervaren door het creëren van kunst. De kunst toont de universaliteit van het lijden. Iedereen lijdt. Het aanschouwelijk maken van dit lijden via artistieke expressie zorgt ervoor dat mensen voor even verlost worden uit hun eigen lijden en er zelfs genot aan kunnen beleven. In de dagelijkse beleving van gevoelens koesteren mensen een afkeer of een genegenheid in relatie tot andere personen of objecten. Vervolgens probeert men die objecten of personen te manipuleren om aan de begeerte te voldoen. Dit al dan niet onbewust manipuleren voorkomt dat je de emotie ten volle kan doorleven. Wanneer je jaloers bent, wordt je kijk op de werkelijkheid troebel. Wat jaloezie écht is, kan je beter beleven via een kunstwerk, zoals bijvoorbeeld Othello van Shakespeare. Kunst roept emoties op die absoluut zijn. In hun absolute vorm zetten de gevoelens niet meer aan tot een manipulatieve activiteit. Hierdoor wordt het mogelijk om écht te genieten van deze gevoelens. Dit geldt vooral voor de muziek, welke voor Schopenhauer de hoogste kunstvorm is. Wanneer je opgaat in een esthetische ervaring ontsnap je voor even aan de strijd om zelfbehoud. Een goede kunstenaar gaat het leven niet steriliseren in begrippen, maar probeert te laten zien hoe het leven is. Schopenhauer zou instemmen met de stelregel die veel literaire schrijvers hanteren: 'Show, don't tell' Nu zou je kunnen stellen dat schrijvers toch per definitie gebruik maken van begrippen. Schopenhauer zou hier tegenin brengen dat een goede schrijver niet zomaar vertelt over mensen die lukraak in verschillende situaties belanden, maar de begrippen zo geniaal combineert en de verhaallijn zo helder construeert dat doorheen de situaties het wezen van de mens aanschouwelijk wordt gemaakt. Hij schrijft: Zoals de scheikundige uit volstrekt heldere en transparante vloeistoffen door ze met elkaar te mengen vaste bezinksels wint, weet de dichter uit de abstracte, transparante algemeenheid van de begrippen, door de manier waarop hij ze combineert, het concrete individuele, de aanschouwer kevoorstelingals het ware neer te laten slaan? (WWV, 1, p. 369) Binnen de literatuur beschouwt Schopenhauer de tragedie als 'het summum van de dichtkunst. (WWV, 1, p.382) Hij schrijft daarover volgende intrigerende passage: Het uitbeelden van een groot ongeluk is het enige essentiële kenmerk van de tragedie. De vele verschillende manieren waarop dit ongeluk door de schrijver ten tonele wordt gevoerd, kunnen in drie categorieën worden ingedeeld. Het kan namelijk gebeuren door de buitensporige, de grenzen van het mogelijke benaderende boosaardigheid van een karakter, dat de aanstichter wordt van het ongeluk. (...) Vervolgens kan het gebeuren door het noodlot, dat wil zeggen door toeval en dwaling. (...) Ten slotte kan het ongeluk ook worden veroorzaakt door de gezindheid van personen jegens elkaar, met andere woorden door menselijke verhoudingen. (...) Deze laatste soort van tragedie lijkt me veruit te verkiezen boven de twee andere, want ze toont ons het grootste ongeluk niet als een uitzondering, niet als iets wat door uitzonderlijke omstandigheden, of door monsterachtige karakters wordt veroorzaakt, maar als iets wat zomaar uit het handelen en de karakters van de mensen, bijna als iets wezenlijks voortvloeit; juist daardoor komt het vreselijk dicht bij ons in de buurt. (...) het grootst mogelijke lijden kan worden veroorzaakt door verwikkelingen die in wezen ook ons lot zou kunnen creëren, en door handelingen, die ook wij zouden kunnen verrichten, en dat we dus niet over onrecht zouden mogen klagen. Dan beseffen we al huiverend dat we ons reeds midden in de hel bevinden? (WWV, 1, p. 384, 385) Schopenhauer laat hier duidelijk zien dat de hel niet wordt veroorzaakt door een kwaadaardige ziel, maar door gewone mensen wiens relationele verhoudingen ongewild uitmonden in lijden. Niemand heeft daar schuld aan. Menselijke relaties brengen nu eenmaal ellende mee.
Empathie en onthechting
Naast de kunst is er nog een ander lichtpunt in de poel van ellende die het leven is. En deze bestaat uit onthechting, een loskomen van de passies. Schopenhauer presenteert de ascetische levenswijze als een ideale ethische levenshouding. Hij geeft dan ook allerhande beschrijvingen van mystici en Oosterse levenswijzen. Het gaat vooral om een verzaken aan de aardse behoeften, om het opgeven van het fundamentele egoïsme waardoor elke mens wordt gedreven. Omdat Schopenhauer zoveel hamert op de levenswijze van de asceet, en deze presenteert als zijnde 'ideaal', zijn er veel misverstanden opgedoken in de secundaire literatuur. Sommige commentatoren spreken over een inconsistentie binnen zijn filosofie, namelijk: als de rede dobbert op de grillen van de anonieme kracht, hoe kan diezelfde rede dan 'kiezen' om hiervan los te komen? Radicaler: hoe kan je verlangen om niet te verlangen? Schopenhauer geeft hier zelf het antwoord. Hij stelt dat dit een vorm van genade is. Sommige mensen zijn nu eenmaal geboren om ascetisch te leven. Maar veruit de meeste mensen niet. Dus het ideaal dat Schopenhauer beschrijft is eerder een bewondering voor de asceten, dan een aansporing om zo te gaan leven. Dit laatste kan ook gewoonweg niet, omdat niemand tegen zijn eigen natuur kan ingaan. Veruit de meeste mensen zijn en blijven egoïstisch. En daar is niets tegen te doen. Dat zit nu eenmaal in hun natuur ingebakken. Schopenhauer schrijft dat 'elk individu, dat volledig opgaat in een oneindige wereld en daarin tot niets wordt gereduceerd, zich niettemin tot middelpunt maakt van de wereld, zijn eigen bestaan en welzijn boven al het andere stelt en zelfs bereid is (zolang hij op het standpunt van de natuur staat) al het andere hiervoor op te offeren, bereid is om de wereld te vernietigen, alleen maar om zijn eigen ik, deze druppel in de oceaan, iets langer in stand te houden? (WWV 1, p. 484-485) De meeste mensen beschouwen zichzelf als het middelpunt van de wereld of denken dat zij hier zijn omwille van een of andere diepere reden. Dit werkt het egoïsme in de hand. Het egoïsme berust echter op een intellectuele illusie. Volgens Schopenhauer is je eigen leven betekenisloos en gaat de wereld nergens naartoe! Geen enkele mens vormt het middelpunt van de wereld. Er ontstaan en vergaan voortdurend mensen zonder dat daar enig doel in zit. Het enige wat je kan doen is beseffen dat iedereen in hetzelfde schuitje zit. Elke mens is deel van hetzelfde geheel. En dit besef versterkt het mededogen. Empathie vormt voor Schopenhauer de basis voor ethiek. Het medeleven is een zaak van het hart en niet zozeer van het verstand. Schopenhauer gelooft niet dat mensen het 'goede' zullen doen in navolging van een aantal abstracte richtlijnen. Je kan perfect iemand het hoofd inslaan, terwijl je 'begrijpt' dat dit eigenlijk niet hoort. Schopenhauer schrijft 'Deugd kunnen we niet leren, net zomin als genialiteit: ja, voor haar is het begrip net zo onvruchtbaar als voor de kunst, en voor beide is het slechts bruikbaar als instrument. Het zou daarom net zo dom zijn te verwachten dat onze morele stelsels en ethische theorieën deugd-zame, edele en heilige mensen voortbrengen, als dat het dom is te denken dat onze esthetica dichters, beeldhouwers en musici creëert' (WWV 1, p. 405-406). Ondanks alle ellende blijven mensen elkaar opzoeken om hun eigen eenzaamheid te ontlopen en hun verveling te verdrijven. Het creëert voor sommigen een illusie van veiligheid en comfort. Het verlies van een geliefd persoon kan ons zelfs in een toestand van wanhoop brengen.
Tegelijk verbazen we ons erover hoe het toch mogelijk is dat de wereld gewoon doordraait, alsof er niets is gebeurd. De wereld is en blijft onverschillig tegenover individueel lijden. Deze ervaring lijkt onze ellende enkel maar meer intens te maken. Meer nog: je bent ervan overtuigd dat niemand op deze aarde ooit meer heeft geleden dan jijzelf. Schopenhauer zou deze gemoedsgesteldheid beschouwen als een natuurlijke manifestatie van ons egoïsme. Schopenhauer keurt dit natuurlijk niet af op morele gronden. Rouwen is menselijk, heel menselijk. Het lijden, de normale gang van zaken, wordt op dat moment gewoon erger. De persoon voor wie je rouwt is dood en lijdt niet meer. Jij bent degene lijdt. Schopenhauer beweert nu dat je de kracht moet opbrengen om in te zien dat ontelbare mensen dierbaren verliezen en rouwen. Jouw lijden is dus alles behalve het meest intens, en zeker niet uniek. Dit inzicht kan aanzetten tot medelijden, tot empathie. Medelijden moet hier niet gezien worden als een kleinerende emotie ten opzichte van iemand anders, maar letterlijk als medelijden met anderen. Dit werkt volgens Schopenhauer louterend. Schopenhauer had veel gereisd en werd zodoende geconfronteerd met veel ellende, zoals slavernij en uitbuiting. Hij vond dit verschrikkelijk. Maar hij was zeker geen sociaal hervormer. Schopenhauer legt veel nadruk op empathie, maar zelfs dat lijkt nog niet voldoende. Hij vond het vooral erg dat mensen niet het juiste inzicht hadden in het wezen van de werkelijkheid. En het juiste inzicht verkrijg je vanuit een onpersoonlijke blik. Een blik die je als het ware losmaakt uit het dagelijkse strijdtoneel. De aanvankelijke empathie lijkt hier op te lossen in een afstandelijkheid die neigt naar onverschilligheid. Mededogen en onverschilligheid zijn ook moeilijk verenigbaar, zoals Bart Vandenabeele overtuigend aantoont in zijn academische studie over Schopenhauer, De bloesem van het leven. Het lijkt erop alsof Schopenhauer de empathie wilde verdedigen vanuit 'zijn weerzin tegenover elke vorm van egoïsme' (Vandenabeele, p.228), maar deze uiteindelijk onvoldoende theoretisch kon funderen. Ook meeleven met het leed van een ander doe je immers vanuit een egoïsme, namelijk om jezelf beter te voelen. Echte verlossing vind je dan ook vooral in een onpersoonlijk aanschouwen van het wereldtoneel. En zelfs deze onpersoonlijke blik lijkt enkel mogelijk voor de enkelingen die 'geluk' hebben.
Levenswijsheid
Een esthetische ervaring, medelijden of onthechting is enkel weggelegd voor de elite. En in strikte zin zijn deze levenshoudingen zelfs geen verdienste, maar vloeien ze noodzakelijk voort uit de natuur van het genie of de asceet. Schopenhauer wilde echter ook iets schrijven voor de massa of de gewone mens. Dit getuigt van een enigszins dubbel gevoel in het karakter van Schopenhauer. Enerzijds moest hij niet veel hebben van het 'plebs' en anderzijds voelde hij medelijden met deze bende ploeterende mensen. Het lijkt erop dat hij moeite wilde doen om de gewone mensen toch enig houvast te geven in deze chaotische wereld. En ironisch genoeg betekende dit werk ook zijn grote doorbraak bij een breed publiek. Schopenhauer schreef deze raadgevingen in een heuse zelfhulpgids. Stilistisch koos hij voor 'vermaningen en maximen’. De invloed van aforisme-schrijvers als La Rochefoucauld en Gracian wordt hier duidelijk. Van deze laatste, een Spaanse Jezuïet, vertaalde hij bovendien ook diens Handorakel en kunst van de voorzichtigheid naar het Duits. De belangrijkste maxime van Schopenhauer is ontleend aan Aristoteles en luidt: 'Een verstandig mens is op smarteloosheid uit, en niet op genot! Dit wil niet zeggen dat je niet genieten. Schopenhauer genoot zelf. Schopenhauer wil enkel zeggen dat het nastreven van genot niet per definitie gelukkig maakt. Als je het geluk hebt in je leven veel te kunnen genieten, des te beter. Als je daarbij beseft dat je geluk hebt, nog beter. Geluk heeft bij Schopenhauer dan ook veel te maken met geluk hebben, met toeval, met fortuinlijk zijn. Het belangrijkste is tevredenheid en gemoedsrust, wat er ook gebeurt. Hierbij is Schopenhauer schatplichtig aan de grote Hellenistische traditie. Ook de Stoïcijnen, de Cynici en de Epicuristen zochten de onverstoorbaarheid of de gemoedsrust, elk op hun eigen manier. Opvallend hierbij is dat Schopenhauer maar blijft hameren op de trouw aan zichzelf. En andere mensen vormen een bedreiging voor de individualiteit. Hoe meer mensen, hoe minder vreugde. Geheel zichzelf zijn mag men enkel zolang men alleen is: wie dus niet van eenzaamheid houdt, die houdt ook niet van de vrijheid, want uitsluitend als we alleen zijn, zijn we vrij. Dwang is de onafscheidelijke metgezel van elk gezelschap, en elk gezelschap vraagt offers die des te zwaarder vallen, naarmate de eigen individualiteit meer betekent. (...) in de eenzaamheid voelt de erbarmelijke zijn volledige erbarmelijkheid, de grote geest zijn volledige grootheid. Kortom, ieder ervaart zichzelf dan als dat wat hij is. Natuurlijk hoef je jezelf niet terug te trekken uit de gemeenschap of te gaan leven als een kluizenaar. Je kan best "gelukkig' leven in een gemeenschap. Maar wanneer je te maken krijgt met andere mensen, geeft Schopenhauer volgende raad: 'Om in de wereld staande te blijven, is het zinvol een grote voorraad voorzichtigheid en inschikkelijkheid mee te nemen: door het eerste wordt men voor schade en verlies, door het laatste voor onenigheid en twist behoed' En als je toch wordt bedrogen, moet je jezelf vooral niet ergeren, maar voldoening nemen met een nieuw inzicht in de menselijke aard. Schopenhauer was fatalistisch en geloofde niet echt in de maakbaarheid van het leven. In die zin moeten zijn de leefregels geen raadgevingen wat betreft het verwerven van succes, maar vooral manieren om jezelf, en wat je overkomt, te accepteren. Je bent dom of lelijk geboren? Pech. Je bent mooi of slim geboren? Pech. Je bent geboren? Pech. Probeer hette accepteren, en lees Schopenhauer als begeleider om de rit zo comfortabel mogelijk uit te zitten.
Opvallend is dat de meeste raadgevingen van Schopenhauer door de hedendaagse zelfhulpgidsen en psychologisch onderzoek radicaal worden verworpen. De Nederlandse psycholoog Ad Bergsma heeft vele zelfhulpboeken getaxeerd op hun gebruikswaarde, en komt tot de conclusie dat Schopenhauer laag scoort op de schaal van het bevorderen van geluk. Vooral de oproep van Schopenhauer tot een soort van heroïsch gekozen eenzaamheid blijkt nefast te zijn. Het advies om andere mensen te mijden, druist volledig in tegen de hedendaagse bevindingen. Contact met andere mensen is juist wél bevorderlijk voor persoonlijk geluk. En een hoge status geeft wél meer voldoening. Bovendien is het bevorderlijk voor je welzijn om uitdagingen aan te gaan en eventuele moeilijkheden te overkomen. Een gevoel van zelfcontrole en controle over je omgeving is cruciaal voor je geestelijke gezondheid. Ad Bergsma geeft Schopenhauer een dikke onvoldoende voor zijn 'levenswijsheid. Toch mag je bij Schopenhauer het kind niet met het badwater weggooien. Schopenhauer zou zich kunnen verdedigen door alvast de volgende vraag op te werpen: waarom zijn er vandaag zoveel klagende mensen? Antwoord: omdat de mensen een verkeerd idee hebben over wat het leven is. Je kan enkel maar teleurgesteld worden, wanneer je verkeerde verwachtingen hebt. En de meeste zelfhulpgidsen van vandaag lijken enkel maar verkeerde verwachtingen te creëren. De zelfhulpbeweging met de naam The Secret beweert bijvoorbeeld onomwonden dat mensen alles kunnen krijgen, zolang ze erin geloven en zolang ze het maar zo sterk mogelijk willen. Ze noemen dit The law of attraction. Voor Schopenhauer is dit de perversie ten top. Dit is een onverbloemde aanmoediging om zo narcistisch mogelijk te gaan leven. Je wilt alles wat je hartje begeert en bovendien heb je daar zogezegd recht op. Dit is een illusie. De ironie is dat je blijkbaar wel veel geld kan verdienen met de verkoop van illusies. De schrijfster van de bijbel van deze beweging, Rhonda Byrne, is in elk geval schatrijk geworden van al deze wanhopige mensen die haar boek kochten in de veronderstelling dat ze rijk, beroemd, en, in hun ogen, dus gelukkig zouden worden. Dat het boek zo goed verkoopt toont enkel aan dat er daadwerkelijk veel wanhopige en gefrustreerde mensen rondlopen, en niet dat het ook wérkt. Integendeel, Schopenhauer zou dit boek karakteriseren als een first class ticket naar een depressie. Je kan nu eenmaal niet alles krijgen wat je wil. En je moet daar niet over zeuren. Het is gewoon de realiteit. Misschien dat deze boodschap niet aanspreekt, en al zeker niet verkoopt. Maar hoe sneller je dit inziet, hoe beter. Als er dan iets gebeurt dat toch tof is, dan is dat mooi meegenomen. Bovendien had Schopenhauer een onwrikbaar geloof in zichzelf en zijn kunnen. Toch ook een groot contrast met het grote aantal mensen met een laag zelfbeeld of juist een misplaatste eigendunk. Schopenhauer wijdde zijn eigen leven aan een groot project, namelijk het filosofisch doorgronden van de wereld. Een uitdaging waar de meeste mensen nog niet aan zouden beginnen, zeker niet wanneer deze onbetaald zou blijven. Schopenhauer werd niet betaald en heeft deze zelfopgelegde opdracht met 'succes' volbracht.
Invloed
Opvallend is dat Schopenhauer lange tijd heeft moeten wachten op erkenning. Zijn hoofdwerk werd bijna niet verkocht, laat staan gelezen. Schopenhauer was hypergevoelig voor erkenning, maar hij weigerde deze erkenning te verkrijgen door zijn werk of zichzelf te verloochenen. Engelstaligen zouden zeggen: Schopenhauer did never sell out. Het is pas met zijn Bespiegelingen over levenswijsheid dat zijn roem een hoge vlucht zou nemen. De meeste lezers hadden blijkbaar weinig behoefte om te lezen hoe erg het leven wel is. Ze hadden vooral nood aan concrete tips en raadgevingen die het lijden draaglijk zouden maken. Dit neemt niet weg dat ook zijn hoofdwerk vanaf dan op meer belangstelling kon rekenen en zodoende ook doordrong tot de artistieke en intellectuele elite.
Deze herkenden in de filosofie van Schopenhauer een nooit geziene evocatie van de wereld zoals deze is, en niet zoals deze zou moeten zijn. De filosoof Friedrich Nietzsche werd sterk geïnspireerd door het werk van Schopenhauer. Nietzsche neemt heel de diagnose van Schopenhauer over, maar verwerpt op latere leeftijd de remedie. Hij beaamt dat mensen zieke dieren zijn die worden gedreven door machtsdrift en egoïsme, maar verwerpt de levensverzaking. Kort gezegd: mensen moeten het leven niet ontkennen, maar bevestigen. Bovendien zal Nietzsche de diagnose van Schopenhauer radicaliseren. De ultieme werkelijkheid is niet zomaar één wil. Het enige wat je volgens Nietzsche kan waarnemen is een versplintering van verschillende driften die onophoudelijk botsen. Je hebt dan ook niet één dieperliggende metafysische waarheid 'onder' de voorstelling, maar een amalgaam van perspectieven of voorstellingen waarvan vooral diegene waardevol zijn die de individuele levensdrift aanwakkeren. Schopenhauer had vooral een onmetelijke invloed op kunstenaars en romanciers die zich herkenden in zijn meedogenloze eerlijkheid en tragische levensvisie. De Russische schrijver Lev Tolstoj noemde Schopenhauer de geniaalste man die er ooit geleefd heeft. Vooral de beschouwingen over ethiek en zijn beschrijvingen over een ascetische levenshouding maakten een onuitwisbare indruk op Tolstoj. Michel Houellebecq beweert dat geen enkele schrijver of poëet zo veel invloed op hem heeft gehad als Schopenhauer. En de schrijver L. Borges beweerde ooit dat hij speciaal Duits had geleerd om Schopenhauer te kunnen lezen in zijn oorspronkelijke taal. Zelfs de komiek Charlie Chaplin las het hoofdwerk van Schopenhauer als was het de bijbel.
Pessimisme en misantropie
Vele interpretatoren beschouwen Schopenhauer als de meest pessimistische en misantropische filosoof die ooit geleefd heeft. Wanneer je zijn werk leest, merk je dat deze labels niet uit de lucht zijn gegrepen. Schopenhauer maakte zich niet echt druk om deze karakteriseringen, maar wilde de realiteit zo goed mogelijk te doorgronden. Wanneer je eerlijk bent, kan je gewoon niet anders besluiten dan dat de realiteit chaotisch is, en verpletterend voor menselijke illusies.
Mensen zijn egoïstisch. En bovendien kunnen ze daar zelf weinig aan doen. Het zit nu eenmaal in hun natuur. Schopenhauer is dus geen misantroop uit haatgevoelens. Het mag ondertussen duidelijk zijn dat Schopenhauer ook niet lijdt aan zelfhaat of walging voor zichzelf, maar juist heel zelfbewust in het leven stond en zichzelf beschouwde als een miskend genie. De 'haat' tegenover andere mensen is niet het resultaat van een projectie uit zelfhaat, maar eerder vanuit een teleurstelling dat de meeste mensen noch de moed, noch de kracht kunnen opbrengen om de waarheid van het leven onder ogen te zien. Het is ook een goede remedie tegen depressie. Mensen worden depressief door gefrustreerde verlangens of door schaamte- en schuldgevoelens.
Wanneer je de realiteit durft te zien voor wat deze is, lossen al die zaken op als sneeuw voor de zon. Zelfbeklag wordt zinloos, en zelfmoord betekenisloos. Schopenhauer zegt dat je beter niet was geboren, maar laat duidelijk zien dat als je bent geboren er maar beter het beste van kan maken. Het enige wat je moet doen is blijven leven, je niet teveel laten meesleuren door negatieve emoties, en zoveel mogelijk genieten van al het schone in de wereld.
BIBLIOGRAFIE
Primaire literatuur
Schopenhauer, Arthur, De wereld als wil en voorstelling (deel 1 en 2), (vert.Hans Driessen), Wereldbibliotheek, Amsterdam, 1997.
Schopenhauer, Arthur, Parerga en paralipomena. Kleine filosofische geschriften (deel 1 en 2), (vert. Hans Driessen), Wereldbibliotheek, Amsterdam, 2002.
Schopenhauer, Arthur, Dat ben jij. Over de grondslag van de moraal. Wereldbibliotheek, Amsterdam, 2010.
Schopenhauer, Arthur, De vrijheid van de wil, Wereldbibliotheek, Amsterdam, 1989.
Schopenhauer, Arthur, De kunst om gelukkig te zijn, (vert. Cyril Lansink), Boom, Amsterdam, 2011.
Schopenhauer, Arthur, De kunst van het gelijk krijgen, (vert. Tjark Kruiger), Boom, Amsterdam, 2011.
Nietzsche, Friedrich, Oneigentijdse beschouwingen, (vert. Thomas Graftdijk), De Arbeiderspers, Amsterdam, 1998.
Secundaire literatuur
Vandenabeele, Bart, De bloesem van het leven. Esthetiek en ethiek in Arthur Schopenhauers filosofie, Universitaire pers, Leuven, 2011.
Rüdiger Safranski, Arthur Schopenhauer. De woelige jaren van de filosofie, (vert. Vertaalgroep Bergeyk), Olympus, Amsterdam, 2006.
Thomas Mann, Schopenhauer en Nietzsche (vert. Evert K.M. van Leerdam), Aspekt, Soesterberg, 2003.
Christopher Janaway, Schopenhauer, (vert. Jos den Bekker), Lemniscaat, Rotterdam, 2000.