I. SCHOPENHAUER
I. Leven, persoonlijkheid, werken
Arthur Schopenhauer leefde van I788 tot 1860. Zijn belangrijkste werk schreef hij al op dertigjarige leeftijd. Dus als we zijn leven en werk bespreken, doen we een stap terug, want in de twee voorgaande hoofdstukken waren we met de filosofische ontwikkeling in Europa al verder in de tijd. Dit is geen bezwaar. In de eerste plaats begon de invloed van de gedachten van Schopenhauer, omdat zijn werken lange tijd onopgemerkt bleven, pas na 1850 door te dringen. In de tweede plaats kan Schopenhauer niet, zoals de romantici en Hegel en anderzijds de materialisten en Marx, beschouwd worden als de exponent van een bepaalde maatschappelijke stroming. Men heeft geprobeerd van hem de wijsgerige vertegenwoordiger te maken van de kleine Duitse burgerij.
Maar dat draagt nauwelijks bij tot de verklaring van zijn filosofie; hoogstens is zijn late invloed te verklaren uit de maatschappelijke ontwikkeling.
Ondanks Schopenhauers contact met het Duitse idealisme en ondanks zijn teruggrijpen op Kant, als wiens voornaamste leerling Schopenhauer kan worden aangemerkt, betreden we nu een heel andere geestelijke wereld, die in het kader van de Europese ontwikkeling bijna als een vreemd element verschijnt. Dit wordt pas begrijpelijk al5 we twee dingen in aanmerking nemen: Schopenhauers persoonlijkheid en zijn bekendheid met de filosofie van het oude India, die juist toen door de nog zeer onvolmaakte vertaling van Anquetil-Duperron' voor het westelijk denken ontsloten was. Om zijn filosofie te begrijpen moeten we Schopenhauer dus eerst beter leren kennen, niet alleen zijn levensloop - die is trouwens gauw verteld - maar zijn karakter. Ook hier is het woord van Fichte van toepassing, dat de filosofie die men kiest, afhangt van wat voor mens men is.
Arthur Schopenhauer was de zoon van een groothandelaar uit Danzig. In 1793, vijf jaar na de geboorte van zijn zoon, verhuisde de vader naar Hamburg. Zijn negende tot zijn elfde jaar bracht de jonge Schopenhauer in Le Havre door, bij een zakenvriend van zijn vader. Daar leerde hij de Franse taal perfect beheersen en vergat hij een tijdlang bijna zijn moedertaal. Ook later namen zijn ouders hem mee op hun lange reizen door België, Frankrijk, Zwitserland en Duitsland. Hoe sterk hij onder de indruk kwam van de natuur, vooral van de zee en de Alpen, is duidelijk te merken in zijn latere werk. Een verblijf van zes maanden in Engeland maakte hem grondig vertrouwd met de Engelse taal en literatuur. Tot het eind van zijn leven las hij dagelijks de 'Times'. Op zestienjarige leeftijd ging Schopenhauer op uitdrukkelijke wens van zijn vader, maar tegen zijn eigen verlangen in - dat toen al uitging naar wetenschappelijk werk - in de leer bij een koopman in Hamburg.
Kort daarop stierf zijn vader en dat was voor zijn moeder, die twintig jaar jonger was en later bekend werd als romanschrijfster, aanleiding om te verhuizen naar Weimar. Haar huis daar werd een geestelijk trefpunt. Goethe kwam er en Wieland, de gebroeders Schlegel en veel andere belangrijke mensen. De zoon gaf nu het koopmansberoep op. In zeer korte tijd verwierf hij zich door particuliere lessen in Gotha en Weimar, de nodige vooropleiding om het onderwijs aan de universiteit te kunnen volgen, in het bijzonder de kennis van de oude talen.
Schopenhauer studeerde twee jaar in Göttingen, daarna twee jaar te Berlijn. De bewaard gebleven dictaatcahiers tonen aan dat hij, behalve filosofische en filologische vakken, ook colleges in chemie, fysica, botanie, anatomie, fysiologie, geografie en astronomie volgde. Krabbels in de kantlijn getuigen van zijn spottende, hautaine houding tegenover de toenmalige docenten in de wijsbegeerte, vooral Fichte. Zo schreef Schopenhauer over Fichtes wetenschapsleer, dat zij beter Wissenschafts-leere (leegte) dan Wissenschafts-lebre (leer) kon heten en hij voegde er de uitspraak van Shakespeare aan toe: "Al is het methodisch, het blijft evengoed onzin?
In 1813 promoveerde hij op de dissertatie 'Over de viervoudige wortel van het beginsel van voldoende grond' (Über die vierfache Wurzel des Satzes vom zurichenden Grunde). Een voorbijgaande patriottische bevlieging bij het uitbreken van de vrijheidsoorlog bekoelde snel. Terug in Weimar werd de jonge Schopenhauer opgevangen door Goethe. Hij maakte hem vooral vertrouwd met zijn kleurenleer. Verder maakte Schopenhauer hier door een oriëntalist voor het eerst kennis met het cultuurgoed van het oude India. De losse levensstijl van zijn moeder stond de jonge Schopenhauer zozeer tegen, dat ze voortdurend ruzie kregen. Ofschoon Schopenhauer niet bij zijn moeder woonde, kwam het spoedig tot een volslagen breuk. Toen hij haar zijn dissertatie overhandigde, zei ze spottend: 'Echt een boek voor apothekers? En hij: 'Het zal nog gelezen worden als van uw boeken nauwelijks nog een exemplaar te vinden zal zijn op een rommelzolder. En zij weer: Van het jouwe zal de hele oplage nog te krijgen zijn.' Beiden hebben gelijk gekregen. Schopenhauer brak definitief met zijn moeder en heeft haar nooit meer teruggezien. Hij verliet Weimar en woonde eerst vier jaar in Dresden. Daar ontstonden zijn verhandeling 'Over het zien en de kleuren' (Über das Sehen und die Farben, 1816) en zijn hoofdwerk 'De wereld als wil en voorstelling' (Die Welt als Wille und Vorstellung, 1819).
Daarop volgden twee reizen naar Rome, Napels en Venetië. Schopenhauer leefde van zijn aandeel in de erfenis van zijn vader. Door spaarzaamheid en buitengewone handigheid heeft hij dit zijn hele leven weten te bewaren en te vergroten. Zo heeft hij nooit hoeven werken voor zijn levensonderhoud en nooit hoefde hij als officieel docent zijn meningen aan te passen aan een politieke of andere autoriteit - iets dat hij later in de door hem veel gesmade filosofieprofessoren niet genoeg kon afkeuren. Aanvankelijk deed hijzelf ook pogingen om professor te worden. In 1820 vestigde hij zich als privaatdocent in Berlijn. De zelfbewust beginnende docent, die al bij zijn vertrek naar Italië in een gedicht had geschreven: 'Het nageslacht zal een gedenkteken voor mij oprichten!', gaf zijn colleges op hetzelfde uur als de beroemde Hegel, in de verwachting dat de studenten naar hem zouden overlopen. Het tegendeel bleek waar. Schopenhauer trok zich na het eerste trimester vol ergernis terug. De volgende tien jaren bracht hij door in Italië, Dresden en weer te Berlijn, maar zonder te doceren. Toen in 1831 in Berlijn de cholera uitbrak - waaraan Hegel is bezweken - vluchtte Schopenhauer en hield pas halt in Frankfurt aan de Main. Daar vestigde hij zich en bleef er tot zijn dood. Het hoofdwerk van Schopenhauer bleef twintig jaar onopgemerkt.
Zestien jaar na de verschijning deelde de uitgever hem mee dat het grootste deel van de eerste oplage als oud papier werd verkocht. Toch besloot Schopenhauer het opnieuw uit te geven, vermeerderd met een tweede aanvullend deel. Deze heruitgave verscheen in 1844. Het weinige dat hij verder nog schreef is: 'Over de wil in de natuur' (Über den Willen in der Natur, 1836), 'De twee grondproblemen van de ethiek' (Die beiden Grundprobleme der Ethik, 1841) met daarin de verhandelingen 'Over de vrijheid van de wil' (Uber die Freiheit des Willens) en 'Over het fundament van de moraal' (Über das Fundament der Moral).
Ten slotte de twee delen 'Aanhangsels en aanvullingen' (Parerga und paralipomena, 1851). Dit tegenwoordig meest gelezen populaire werk van Schopenhauer bevat korte verhandelingen over de meest uiteenlopende onderwerpen, onder andere de beroemde 'Aforismen van de levenswijsheid' (Aphorismen zur Lebensweisheit). Zij geven een goed beeld van Schopenhauers wijze van denken en schrijven, maar geen inleiding tot zijn stelsel. Het hele honorarium voor dit geestige en populaire werk bestond uit tien gratis exemplaren. De erfelijke aanleg en de levensloop van Schopenhauer hebben zijn karakter gevormd, dat onmiskenbaar in de grondgedachten en in elk onderdeel van zijn systeem naar voren treedt. Volgens Schopenhauers eigen woorden wordt het karakter geërfd van de vader, de intelligentie van de moeder. Voor hem zelf geldt dat in elk geval volkomen. Zijn vader was een strenge, enigszins starre, trotse en onbuigzame man, een republikein die ondanks de hem door Frederik de Grote aangeboden privileges, ervoor bedankte zich in Pruisen te vestigen en onderdaan te worden van een koning. Daarom verhuisde hij, toen Danzig Pruisisch werd, naar de vrije rijksstad Hamburg. Zijn moeder was geestig, levendig, wat lichtzinnig en oppervlakkig. Ze was ongelukkig getrouwd en hield na de dood van haar man in Weimar open huis. Aan zijn ruzies met haar bewaarde Schopenhauer een herinnering die zijn latere kijk op vrouwen sterk heeft bepaald. Een sterk driftleven en een hartstochtelijke wil, en anderzijds een helder intellect gepaard aan een diepgeworteld gevoel voor het schone in de natuur maar ook voor het lijden van de mensen, dat zijn de twee hoofdtrekken van Schopenhauers karakter die voortdurend met elkaar in strijd zijn. We vinden ze terug in zijn wijsbegeerte: de wereld is enerzijds wil, blinde drift, en anderzijds voorstelling, beschouwing en inzicht. En de levenslange strijd van Schopenhauers ene helft tegen de hem eeuwig plagende zinnelijkheid, weerspiegelt zich in zijn leer over de verzaking van de wil en in zijn pessimistische geringschatting van aards geluk en genot.
Schopenhauer was een genie. Hij wist dat zelf zeer goed en maakte het zijn lezers wat hinderlijk duidelijk. Hij was niet bescheiden. Wat is bescheidenheid anders dan gehuichelde nederigheid waarmee men in een wereld vol benepen afgunst excuus vraagt voor kwaliteiten en verdiensten bij lieden die deze missen?' En: 'De deugd van bescheidenheid is inderdaad een pracht uitvinding voor de botteriken, want zij gebiedt iedereen over zichzelf te spreken... alsof er alleen maar botteriken bestonden." Zo liet Schopenhauer in zijn hoofdwerk duidelijk uitkomen dat de echte en serieuze filosofie naar zijn mening nog geen stap verder was dan Kant, dat er tussen Kant en hem niets noemenswaardigs gebeurd was. In zijn inleiding vraagt hij de lezer, eerst zijn andere geschriften te lezen en zich vertrouwd te maken met de filosofie van Kant, en zo mogelijk ook met die van Plato en het oude India; vervolgens moet hij het boek tweemaal lezen, 'de eerste keer met veel geduld'. En als de lezer daar niet voor voelt? 'Dan kan ik niet anders doen dan hem eraan herinneren dat hij een boek ook zonder het te lezen op allerlei manieren kan gebruiken. Hij kan er, zoals velen doen, een open plaats in zijn bibliotheek mee opvullen... Of hij kan het op de kaptafel of theetafel van een geleerde vriendin leggen. Of hij kan, en dat is ongetwijfeld het allerbeste en dat raad ik vooral aan, er een recensie over schrijven."
Aan de uitgever schreef de dertigjarige Schopenhauer over zijn boek: 'Mijn werk dus is een nieuw filosofisch systeem; maar nieuw in de volle zin van het woord: ... een in de hoogste graad samenhangend stelsel, dat tot nu toe in geen menselijk brein is opgekomen. Het boek waarin ik de zware taak heb volbracht dit stelsel aan anderen mee te delen, zal naar mijn vaste overtuiging een van die boeken zijn, die later de bron en het uitgangspunt van honderd andere worden. Zijn hartstochtelijk verlangen naar roem en erkenning streed voortdurend met zijn verachting van de wereld en de mensen. Wat is roem? Niet meer dan een beeld van ons wezen in de hoofden van anderen. 'Bovendien vormen de hoofden van de massa een te armzalig schouwtoneel, dan dat daar het ware geluk te vinden zou zijn... daar is alleen maar schijngeluk te vinden. Wat een gemengd gezelschap is in de tempel van de roem bijeen! Veldheren, ministers, kwakzalvers, goochelaars, dansers, zangers, miljonairs en joden: en de kwaliteiten van al deze lieden worden daar hoger aangeslagen dan de geestelijke.." Toch verging Schopenhauer van heimelijk verlangen naar deze roem. Zijn gedachten cirkelden steeds om het probleem van de roem. Slechts zo is het te verklaren dat hij niet moe wordt aan zichzelf en anderen uit te leggen, hoe het komt dat zijn roem zo lang op zich wachten laat. Hij citeert Lichtenberg: 'Als een boek botst met een hoofd en het klinkt hol, ligt dat dan alleen aan het boek?' en 'Zulke werken zijn spiegels: als een aap erin kijkt, ziet hij geen apostel." En hij vraagt: "Zou een virtuoos zich gevleid voelen door het luide applaus van zijn publiek, als hij wist dat het, op een of twee na, uit louter doven bestaat...?* Schopenhauer had het geluk om de overtuiging dat zijn werk van blijvende waarde was in zijn ouderdom nog bevestigd te zien. Ongeveer in 1850 werd de ban van zwijgzaamheid over zijn boek verbroken. Vooral de ontgoocheling, die in Duitsland en elders op de mislukte revolutie van 1848 volgde, bereidde de bodem voor de pessimistische wereldbeschouwing van Schopenhauer. Een golf van pessimisme ging door de Europese literatuur. De heerschappij van de hegeliaanse school was voorbij. De afgunst van de hegeliaanse professoren, op wie Schopenhauer alle schuld van zijn achteruitzetting had geschoven, stond hem niet meer in de weg. Het waren overigens niet de universiteiten die het eerst belangstelling kregen voor Schopenhauers filosofie. Mensen uit de meest uiteenlopende praktische beroepen, hier en daar een geleerde en vriend, in het bijzonder Julius Frauenstädt, maakten haar het eerst bekend. Maar vooral op kunst en kunstenaars hadden de gedachten van Schopenhauer een diepgaande invloed. De muziek van Richard Wagner, althans in zijn eerste creatieve periode, was geheel doordrongen van de pessimistische geest van Schopenhauer. Wagner zond Schopenhauer een exemplaar van 'Der Ring der Nibelungen' met een begeleidend dankwoord. Geleerden en bewonderaars uit alle landen bezochten Schopenhauer of schreven hem. De grijze filosoof las gretig alles wat over hem werd geschreven. Hij werd toegankelijker en vriendelijker dan ooit tevoren. Maar toen hij zich eindelijk kon koesteren in de zon van de uiteindelijk bereikte erkenning en bewondering, verraste hem de dood. In Isoo bezweek hij onverwacht aan een hartaanval. Zijn vermogen had hij bij testament geheel aan weldadige stichtingen vermaakt. De zwarte marmeren plaat op zijn graf vermeldt alleen zijn naam.
2. 'De wereld als wil en voorstelling'
In zijn hoofdwerk heeft de jonge Schopenhauer in één geniale visie zijn hele filosofie weergegeven. Alles wat hij verder heeft geschreven, is In zijn hoofdwerk heeft de jonge Schopenhauer in één geniale visie en commentaar daarop of uitwerking van details. Het boek bevat, zoals Schopenhauer zelf zegt, eigenlijk maar één enkele gedachte. 'Maar hoe ik ook probeerde, ik vond geen manier om ze korter uit te drukken dan dit hele boek? Deze gedachte is, volgens Schopenhauer, wat men onder de naam filosofie tot nu toe steeds tevergeefs gezocht heeft. Al naar het aspect waaronder men haar beschouwt, is ze metafysica (in de beide eerste boeken), ethiek (in het derde) en esthetica (in het vierde boek). Maar ze vormt één organisch geheel. Ze is al duidelijk uitgedrukt in de titel: de wereld is wil en voorstelling. Wij zullen trachten - en daartoe beperkt zich onze weergave - deze ene gedachte te verduidelijken.
De wereld als voorstelling
'De wereld is mijn voorstelling' - met deze zin begint Schopenhauers boek. Als er één waarheid is die a priori kan worden uitgesproken, is het deze. Dit eerste deel van Schopenhauer's stelling kennen we al, want het is niets anders dan de leer van Kant, dat alle dingen ons slechts als verschijnselen gegeven zijn. En inderdaad sluit Schopenhauer zich zeer dicht aan bij Kant. Hijzelf noemt Kants leer de toegangspoort tot zijn eigen filosofie. Wat de werken van Kant teweegbrengen in de geest van de denkende lezer, lijkt op de staaroperatie bij een blinde: dan pas leert hij zien. De grote verdienste van Kant is zijn onderscheid tussen verschijnsel en ding-op-zich. Het is in de grond dezelfde waarheid die Plato aldus heeft uitgedrukt, dat de zinnelijke wereld geen waar Zijn heeft; dat wilde Plato uitbeelden met de vergelijking van de grot. Dezelfde waarheid ook die in de Indische veda's aldus wordt uitgedrukt, dat de zichtbare wereld een schijn zonder wezen is, sluier, illusie, Mayâ.
Maar al onderstreept Schopenhauer deze verdienste van Kant, hij heeft toch heel wat op diens filosofie aan te merken. Hij somt zijn bezwaren op in de 'Kritiek op de filosofie van Kant', waarmee hij het eerste deel van zijn hoofdwerk afsluit. De kritiek richt zich tegen wat Schopenhauer ziet als die typische behoefte van Kant om al zijn gedachten en boeken een symmetrische vorm te geven. Die behoefte heeft Kant er vaak toe verleid enkel om de symmetrie 'blinde vensters' aan te brengen en, bijvoorbeeld in de tafel van de categorieën en de oordeelsvormen, het gegevene op een procrustesbed te leggen. Wij gaan niet in op alle verschillen tussen de kennisleer van Kant en Schopenhauer; we beperken ons tot het voornaamste verschil. Dat brengt ons tot het tweede deel van Schopenhauer's grondstelling.
Dat is het 'ding-op-zich' (Ding an sich). Schopenhauer stemt in met het eerder vermelde' bezwaar van G.E. Schulze - een moeilijk te weerleggen bezwaar - dat Kant tot zijn ding-op-zich komt door een causale redenering, dus door toepassing van een categorie die volgens hemzelf - en ook volgens Schopenhauer - alleen geldig is binnen het gebied
van de verschijnselen. Daar geldt zij, ook voor Schopenhauer, onbeperkt. De causaliteit is, naast de vormen van ruimte en tijd, voor hem zelfs de grondvorm waartoe alle andere categorieën van Kant herleid kunnen worden. Maar vanuit de wereld als voorstelling voert geen enkele weg buiten de voorstelling naar een ding-op-zich. Dat de wereld voorstelling is, is een onweerlegbaar feit. Maar het is eenzijdig haar alléén zo te zien. Dat blijkt al uit het spontane verzet dat iedereen voelt opkomen, als men hem vraagt de hele wereld uitsluitend te zien als zíjn voorstelling. Volgens Kant bestaat er geen metafysica. Kant verstaat daarbij metafysica in de zin van de vroegere dogmatische filosofie, dus als wetenschap van datgene wat buiten het bereik van de ervaring ligt. Maar misschien is het wel een verkeerd uitgangspunt, dat de bron van de metafysica onder geen beding empirisch mag zijn en dat ze haar grond-stellingen in geen geval mag ontlenen aan uiterlijke of innerlijke ervaring. Waarom zouden de raadselen van de wereld en ons bestaan niet opgelost mogen worden uit een goed begrip van deze wereld zelf, en per se gezocht moeten worden in iets anders, dat a priori gegeven zou zijn? Dat zou inhouden dat de oplossing van het raadsel van de wereld zonder meer niet gevonden kan worden in haarzelf. Maar wij hebben geen enkele reden om bij de belangrijkste en moeilijkste vraag onze voornaamste kennisbron, de uiterlijke en innerlijke ervaring, bij voorbaat onbenut te laten. De oplossing moet juist komen uit het grondige begrip van de wereld zelf. We moeten de uiterlijke en innerlijke ervaring op het juiste punt met elkaar verbinden. Dat is de weg van Schopenhauer. Dus niet de voorkantiaanse dogmatiek, maar ook niet de kantiaanse ontkenning van de metafysica. De weg ligt tussen beide in. Maar wat is dit juiste punt?
De wereld als wil
Van buitenaf kan het wezen van de dingen niet benaderd worden. Hoe ver we ook zoeken, we vinden nooit meer dan beelden en namen. Dan lijken we op iemand die om een huis heen loopt, maar de ingang niet kan vinden en dus alleen de buitenkant ziet. De enige plaats die toegang geeft tot het innerlijk van de wereld, ligt in onszelf, ligt in het indi-vidu. Het individu bezit zijn lichaam op twee heel verschillende manieren. Ten eerste als voorstelling; hij ziet het verstandelijk als object te-midden van de andere objecten in de causale samenhang van alle verschijnselen. Maar 'ook op een heel andere manier, en wel als het aan ieder onmiddellijk bekende dat wordt aangeduid met het woord wil!" De wilsact en de activiteit van het lichaam zijn niet twee verschillende, oorzakelijk verbonden dingen. Zij zijn een en hetzelfde. De lichamelijke handeling is slechts de geobjectiveerde, zichtbaar geworden wilsact. Het lichaam is de in ruimte en tijd geobjectiveerde wil.
Deze kennis is de meest onmiddellijke die mogelijk is; zij kan niet uit andere kennis worden afgeleid. Zij is de eigenlijke filosofische waarheid.
Deze waarheid geldt in de eerste plaats voor de mens. Het wezen van de mens ligt niet in het denken, in het bewustzijn, in de rede. Deze oeroude dwaling, met name van alle filosofen, moet worden uitgebannen. Het bewustzijn is niet meer dan de oppervlakte van ons wezen.
Alleen deze oppervlakte kennen wij duidelijk, zoals wij van iets stoffelijks alleen de buitenkant kennen. Onze bewuste gedachten zijn de oppervlakte van een diep water. Onze oordelen ontstaan gewoonlijk niet door verbinding van duidelijke gedachten volgens logische wetten - al laten we dit onszelf en anderen graag geloven. Ze ontstaan in de donkere diepte; het proces voltrekt zich bijna even onbewust als de spijs-vertering. Tot onze eigen verbazing borrelen invallen en besluiten in ons op; juist van het ontstaan van onze diepste gedachten kunnen wij ons geen rekenschap geven. In ons geheimzinnige binnenste heerst de wil die zijn dienaar, het verstand, drijft. De wil is als een sterke blinde, die een ziende maar verlamde op zijn schouders draagt. Het lijkt alsof de mensen van voren worden getrokken, in werkelijkheid worden ze van achter geduwd. Zij worden gedreven door de onbewuste wil tot leven. Deze wil is volstrekt onveranderlijk; hij ligt ten grondslag aan al onze voorstellingen als een basso continuo. Ook het geheugen is niet meer dan de dienaar van onze wil.
Ook wat wij karakter noemen, wordt door de wil bepaald. De wil vormt het karakter en het lichaam van de mens. Daarom beloven alle godsdiensten in het hiernamaals een beloning voor de goede eigenschappen van het hart, voor de goede wil, en niet voor de goede eigenschappen van het hoofd, voor een goed verstand. Alle bewuste functies van de mens worden moe en hebben slaap nodig. Alleen de wil is onvermoeibaar. Wat zich onbewust voltrekt, zoals de bloedsomloop en de ademhaling, wordt nooit moe. Ons bewuste leven moet veroverd worden op de slaap. De slaap is een stukje dood, dat wij als voorschot nemen. Maar niet alleen de mens is naar zijn wezen wil. Het wezen van alle ons in ruimte en tijd omgevende verschijnselen moeten wij, naar analogie van de mens, opvatten als objectivering van een wil. Allereerst in het organische leven. Maar ook achter de verschijnselen van de anorganische natuur verbergt zich wil. De kracht die de planeten beweegt, die maakt dat stoffen chemische verbindingen aangaan of elkaar afstoten, is de onbewuste wereldwil. In het rijk van het leven is de sterkste uiting van de wil de voortplantingsdrift. Ze overwint zelfs de (individuele) dood. Zodra voor het zelfbehoud is gezorgd, streeft het levend wezen naar voortplanting, naar het voortbestaan van de soort. Hier blijkt de wil bijna geheel onafhankelijk van de kennis. Kennis zetelt bij de mens in de hersenen; het eigenlijke centrum van de wil en dus de tegenpool van de hersenen zijn de genitaliën, de zetel van de geslachtsdrift.
Schopenhauers uiteenzettingen over de 'metafysica van de geslachtelijke liefde' behoren tot de beroemdste gedeelten van zijn werk. Dit thema speelt bij hem een even belangrijke rol als bij de dichters van alle volken en tijden, die het zonder ophouden hebben bezongen. Wat twee individuen van verschillend geslacht zo onweerstaanbaar tot elkaar aantrekt, is de wil tot leven die zich uit in de soort. De liefde is een truc van de natuur; ze heeft geen ander doel dan het behoud van de soort. Schopenhauer probeert dit duidelijk te maken aan de manier waarop mensen het object van hun liefde kiezen. Altijd streven ze ernaar het soortelijk type te behouden. Ieder bemint wat hemzelf ontbreekt. Het gaat er altijd om de individuele afwijkingen van het soortelijk type te corrigeren door het kiezen van de juiste partner. Geslachtelijkheid is altijd eenzijdigheid. Omdat er graden zijn van mannelijkheid en vrouwelijkheid zullen twee mensen het best harmoniëren, als de graad van mannelijkheid van de man overeenkomt met de graad van vrouwelijkheid bij de vrouw. De meest mannelijke man zai de meest vrouwelijke vrouw zoeken en omgekeerd. 'Het individu handelt hier, zonder het te weten, in opdracht van iets hogers, de soort: vandaar het belang dat het hecht aan deze dingen...?"
Omdat de hartstocht berust op het bedrog waardoor het individu als waardevol voor zichzelf ziet wat in feite waardevol is voor de soort, kan het niet anders of het bedrog moet aan het licht komen zodra het doel van de soort is bereikt. De natuur laat de vrouwelijke schoonheid - de grote truc om haar doel te bereiken - na de voortplanting dan ook heel spoedig verwelken. Het individu beseft dat hij bedrogen is door de wil van de soort. Was Petrarca's hartstocht bevredigd, dan was vanaf dat moment zijn gezang verstomd, zoals dat van de vogel zodra de eieren zijn gelegd." De ontnuchtering treedt vooral op bij uit liefde gesloten huwelijken. Zoals in de geslachtelijke liefde het individu niet meer is dan instrument van de soort, zo is niet alleen elk individu maar elk verschijnsel in ruimte en tijd de objectivering van de ruimteloze, tijdloze en grondeloze wil, een objectivering die als zodanig alleen in de individuatie mogelijk is. Het individu is niets anders dan de voortdurende wisseling van de materie met behoud van de vorm: het ding-op-zich is de wil. Dit inzicht kan men ook op de geschiedenis toepassen. Zoals achter alles de onveranderlijke wereldwil staat, zo leert de wijsgerige beschouwing van de geschiedenis dat wij in alle verschillen tussen volken, tijden, gewoonten en zeden steeds dezelfde mensheid waarnemen. Steeds hetzelfde, alleen anders - dat is het devies van de geschiedenis.
Er bestaat geen vooruitgang. Het symbool van wat gebeurt is altijd de cirkel. In alle tijden hebben de wijzen hetzelfde gezegd en de dwazen hetzelfde gedaan, namelijk het tegendeel.
Is de wil vrij? Vrij is de wil als geheel, omdat daarbuiten niets bestaat dat hem zou kunnen beperken. Onvrij is de wil van het individu omdat die altijd wordt bepaald door de boven hem staande wil als geheel. Laten we even stilstaan om de metafysica van Schopenhauer te vergelijken met die van het Duitse idealisme. Schopenhauer hekelt voortdurend de grote idealisten en maakt ze uit voor 'windbuilen' en 'charlatans' , maar toch staat hij in veel opzichten dichter bij Fichte en Schelling dan hijzelf voorgeeft. Het gemeenschappelijke ligt daarin dat Schopenhauer, evenals de idealisten, niet blijft staan bij de grens die Kant had getrokken. Ook hij geeft metafysica. Zoals Fichte, Schelling en alle mystici ontdekt ook hij de toegang tot het geheim van de wereld in het eigen ik. Ook Fichte had het wezen van het 'Ik' als wil' geinterpreteerd. Ook Schelling had in natuur en geest dezelfde onbewuste kracht aan het werk gezien. Het is merkwaardig dat Schopenhauer al deze overeenkomsten zo beslist van de hand wijst. Zoals dat vaker gebeurt, scheldt hij het meest op denkers aan wie hij het meest verschuldigd is. Toch heeft Schopenhauer zich terecht van zijn voorgangers gedistantieerd. Op het beslissende punt scheiden namelijk hun wegen. Voor het Duitse idealisme is het laatste en absolute de geest, de idee, de rede die zich ontplooit in een doelgericht proces; voor Schopenhauer is het blinde wil, dus een tegenredelijke, irrationele wereldgrond. De wereld is niet logisch en niet onlogisch: zij is a-logisch. De rede is slechts werktuig van de redeloze wil. Schopenhauer breekt daarmee volkomen - en dit zal zeer ingrijpende gevolgen hebben - met de stelling die sinds de Renaissance, uitgesproken of onuitgesproken, de basis had gevormd van het westerse denken: de harmonie van het heelal. Hij doet de stap van optimisme naar pessimisme. Dat wordt pas goed duidelijk, als we hierbij ook de waarde betrekken die Schopenhauer toekent aan het bestaan en de conclusies die hij daaruit trekt voor het menselijk handelen.
3. Het leed van de wereld en de verlossing
Leven als lijden
Zoals Boeddha in zijn jeugd, zo was ook de jonge Schopenhauer, naar eigen zeggen, gegrepen door de diepe treurigheid van het leven. De wil is oneindig, de bevrediging beperkt. Zolang wij zijn uitgeleverd aan onze driften en wensen, zullen wij nooit blijvend geluk of rust vinden. Uit elke bevredigde begeerte ontstaat onmiddellijk een nieuwe. Zodra een verdriet voorbij is en wij opgelucht ademhalen, is er weer een nieuw verdriet. Lijden is de eigenlijke werkelijkheid in het leven. Lust en geluk zijn louter negatief, namelijk afwezigheid van smart. Wat wij bezitten weten wij niet naar waarde te schatten. Pas als wij het hebben verloren, beseffen wij de waarde ervan. Wij zullen Schopenhauers aangrijpende beschrijvingen van het lijden niet uitvoerig weergeven. Enige trefwoorden mogen volstaan. De meeste mensen worden voortdurend gekweld door gebrek. De weinigen wie dit bespaard blijft, vallen ten prooi aan verveling. Het verloop van de week is een treffend symbool van ons leven: zes dagen zwoegen en de zevende verveling: Verder is de eenzaamheid het onontkoombare lot van de mens. Op het eind is ieder alleen met zichzelf. Strijd, oorlog en gruwelijke vernietiging, vreten en gevreten worden - dat is het leven. Dat zien we in het dierenrijk en op dezelfde manier in het menselijk leven. Zelfs toneelschrijvers weten niets anders te bedenken. Na het leugenachtig 'happy end' laten zij snel het gordijn zak-ken. Optimisme is kwalijke spot met het naamloos lijden van de mensheid. Schopenhauer neemt ons mee naar bejaardenhuizen, ziekenhuizen, operatiekamers, gevangenissen, folterkamers en slavenstallen, naar slagvelden en rechtbanken, naar alle treurige behuizingen van de ellende. Waar anders heeft Dante de stof voor zijn hel gehaald dan uit onze wereld? En het is een heel behoorlijke hel geworden. Maar toen hij de hemel met zijn vreugden moest beschrijven stond hij voor een onoverkomelijke moeilijkheid, want voor zoiets biedt onze wereld geen stof." Het leven is niet waard om geleefd te worden. Het is een bedrijf dat de kosten niet dekt. Daarbij komt dat ons leven steeds op weg is naar de dood. In onze jeugd zien wij dat niet. We beklimmen nog de berg waarachter de dood loert. Eenmaal over de helft van ons leven zijn wij als renteniers die niet meer van hun rente leven, maar interen op hun kapitaal. Zoals ons lopen een voortdurend afgeremd vallen is, zo is ons leven een voortdurend afgeremd sterven. Is er dan geen uitweg uit dit tranendal? Kennis is geen uitweg. Integendeel. Hoe hoger de verschijningsvorm van het leven, hoe groter en duidelijker het lijden. Vanaf de plant, via de lage wormen en insecten tot de gewervelde dieren met hun volmaakt zenuwstelsel is het een voortdurend toenemen van gevoeligheid voor pijn. En bij de mensen is het zo, dat wie veel weet veel lijdt; het genie lijdt het meest. Nog eerder is de waanzin een barmhartige weg; die weg kiest de natuur als het lijden de grens van het draaglijke overschrijdt. Ook zelfmoord is geen uitweg. Hij vernietigt wel de individuele verschijningsvorm van de wil, maar niet de wil zelf. (Hier blijkt hoe Schopenhauers zienswijze, die verwant is met de Indische levenswaardering, noodzakelijk moet uitlopen op de Indische gedachte van de wedergeboorte. Schopenhauers uitspraak betekent namelijk: zelfmoord is zinloos omdat de wil zich onmiddellijk een nieuwe belichaming schept.)
En toch bestaat er een uitweg. Schopenhauer wijst zelfs twee wegen: een esthetische en een ethische. De ene verlost tijdelijk, de andere blijvend. De blijvende lijkt op de weg van Boeddha.
De esthetische weg naar verlossing - genie en kunst
Volgens Kant staat achter de verschijnselen datgene wat hij, duister maar suggestief, het ding-op-zich heeft genoemd. Volgens Plato staan achter de vergankelijke, zichtbare dingen hun onvergankelijke oerbeelden, de Ideeën. Schopenhauer neemt beide gedachten over. In het ding-op-zich herkent hij de wil, in de platonische Ideeën de eeuwige vormen waarin de oneindige wil zich openbaart. Kunnen wij kennis verkrijgen van wat achter de verschijnselen ligt? Dat kunnen we niet, zolang het intellect dienstbaar blijft aan de wil. We zouden ons moeten bevrijden van de boeien van de wil en dus ook van de binding aan het willend individu - de noodzakelijke verschijningsvorm van de wil in ruimte en tijd. Is dat mogelijk? Het dier kan dat niet. De mens kan het wel, maar het zal slechts bij uitzondering gebeuren. De bouw van ons lichaam wijst daar al op. Het hoofd rijst uit boven de romp; het groeit uit het lichaam en wordt erdoor gedragen, maar is er niet helemaal aan onderworpen.
De mens kan een zuiver, willoos subject van de kennis worden. Dit kan hij bereiken via de kunst, bet werk van bet genie. Kunst is de beschouwing der dingen, onafhankelijk van de causaliteit en onafhankelijk van de wil (vergelijk Kants 'belangeloos welbehagen'). Omdat de ideeën alleen begrepen kunnen worden door zuivere contemplatie die uitgaat van het object, bestaat het wezen van het genie in het vermogen zo te beschouwen. Genialiteit is volmaakte objectiviteit, puur beschouwend kunnen zijn, een 'helder wereldoog', en dat niet één ogenblik, maar lang genoeg om het geschouwde weer te geven. De doorsneemens, 'het fabrieksproduct van de natuur', kan dat niet. Dat staat al op zijn gezicht te lezen; daar overheerst het willen en begeren. Op het gezicht van het genie overheerst het kennen.
Omdat het genie is ingesteld op het algemene, zal het vaak geen oog hebben voor wat dichtbij is. Hij kijkt naar de sterren en struikelt over een steen. Maar de troost die hij vindt in zijn zelfvergeten enthousiasme en in de overgave aan zijn werk vergoedt ruimschoots al het andere. Schopenhauer spreekt in dit verband ook over de nauwe verwantschap tussen genie en waanzin. Ze zijn maar door een dunne wand gescheiden. In het verdere verloop van de ige eeuw krijgt deze zienswijze cen bijzondere actualiteit door het werk van de Italiaan Cesare Lombroso (I836-1909), vooral door diens boek 'Genie en waanzin' (Genio e folia, 1864). Maar al kan alleen het genie zich verheffen tot aanschouwing van de ideeën, in veel mindere mate moeten ook de andere mensen daartoe in staat zijn. Hoe zouden ze anders ontvankelijk kunnen zijn voor de werken van het genie en de kunst?
Als we ons bij het beschouwen van kunst losmaken uit de slaven-dienst aan de wil, komen we plotseling in de bovenaardse smarteloze toestand die Epicurus heeft geprezen als de toestand van de goden. Wij zijn dan voor dat ene ogenblik verlost van de snode drang van de wil. Dan vieren wij de sabbat van onze tuchthuisarbeid voor de wil, het rad van Ixion staat stil.
Dan volgen Schopenhauers beschouwingen over het schone en verhevene en over de verschillende kunsten. Het zijn gedachten van iemand met grote ontvankelijkheid voor het schone en verhevene in natuur en kunst. Eén kunst neemt een aparte plaats in onder alle andere: de muziek. Hierin wordt geen idee uitgebeeld, als in de andere kunsten. Hoe komt het dat ze toch zo'n sterke indruk op ons maakt? De muziek is de rechtstreekse uitbeelding van het willen zelf en dus van het wezen van de wereld. In de muziek spreekt het diepste wezen van de mens en van alle dingen. Onze wil streeft, wordt bevredigd en haast zich weer ver-der. Zoals het veelvormig streven van de wil dwaalt de melodie voortdurend weg van het hoofdmotief, maar keert daar uiteindelijk naar terug, ze komt tot harmonie, tot bevrediging.
De natuur en de muziek kunnen we zien als twee verschijningsvormen van hetzelfde, van de ene oneindige wereldwil. In de muziek trekken alle geheime roerselen van ons wezen als een vertrouwd en toch altijd ver paradijs aan ons voorbij. Maar altijd slechts even. De muziek is niet de verlossing uit het leven, maar in het leven een schone troost. Om definitief verlost te worden moeten we overgaan van spel - want dat is kunst - tot ernst.
De ethische weg naar verlossing - verzaking van de wil
Over de tweede en eigenlijke weg naar verlossing kunnen we kort zijn. Het is dezeltde weg die het oude Indische denken heeft gewezen.
Schopenhauer is zich daarvan bewust. Zijn filosofie wil niet meer dan wat veel mensen intuïtief weten, en wat zichtbaar is in de leer van de grote godsdiensten en in het leven van hun heiligen, omzetten in abstracte kennis en duidelijk inzicht. Het christendom is ons het meest vertrouwd. Als het echt christendom is, is het doordrongen van deze geest van wereldverzaking. Neem uw kruls op u! Verzaak! Nergens is deze geest schoner uitgesproken dan bij de Duitse mystici. Maar wat we verzaking van de levenswil noemen, is nog verder uitgewerkt in de oeroude werken van het Indische denken. Het christendom willen invoeren in India is even vruchteloos als een kogel afschieten tegen een rots. Omgekeerd zal het Indische denken steeds meer in Europa doordringen en een radicale verandering in het westerse denken teweegbrengen. Het middel is ascese, het welbewust breken van de wil; het doel is de toestand welke door de heiligen die hun wil volkomen hebben uitgeschakeld beschreven wordt als 'extase', 'verrukking', 'opgaan van het Ik in God'. Maar eigenlijk kan dit doel alleen negatief omschreven worden, zoals het boeddhisme dit doet met de term nirwana. 'Maar wenden we de blik af van onze eigen poverheid en vooringenomenheid en kijken we naar hen die de wereld hebben overwonnen... dan zien we in plaats van rusteloze drang en drift... in plaats van nooit bevredigde en nooit stervende hoop waaruit de levensdroom van willende mensen bestaat, die vrede die alle verstand te boven gaat, die oceanische rust van het gemoed, die diepe rust, dat onwankelbaar vertrouwen en die sereniteit waarvan alleen al de afspiegeling op het gelaat, weergegeven door Rafaël en Correggio, een volmaakt en zeker evangelie is...?
4. Slotwoord. Kritiek
'Tot in het binnenste van de natuur dringt geen geschapen geest.'
Met deze woorden typeerde Albrecht von Haller treffend Kants houding tegenover het raadsel dat achter de verschijnselen ligt. Goethe antwoordde:
''Tot in het binnenste van de natuur
dringt geen geschapen geest?"
O gij filister,
spreek tegen mij en mijns gelijken
niet dergelijke taal!
Wij denken: waar dan ook
zijn wij in het binnenste.'
Schopenhauer begint zijn hoofdwerk met de woorden van Goethe: 'Zou de natuur dan toch te doorgronden zijn?' De weg waarlangs Schopenhauer doordringt tot het binnenste van de natuur, is de weg van de mystiek, met name die van het oude India. Brahman, wereldziel, wereldwil en Atman, mensenziel, mensenwil, zijn één. Wat ons belemmert dat te zien is de sluier van Mayâ, de wereld der voorstellingen. Wat ons verlost is het vrij worden van de aardse gehechtheid, van de 'dorst', en het ingaan in Brahman of in het nirwana.
Als wij tot slot nog enkele kritische kanttekeningen plaatsen, is ook nu onze enige bedoeling de lezer te wijzen op enkele punten die hem kunnen helpen bij de eigen beoordeling van Schopenhauers werk. De blijvende verdienste van Schopenhauer is, dat hij de wijsbegeerte de ogen opende voor de duistere diepte onder de oppervlakte van ons bewustzijn. De grote dichters van alle tijden hebben deze diepte gekend of vermoed. In de westerse filosofie heeft pas Schopenhauer de weg gebaand voor een filosofie en psychologie van het onbewuste. Bij mogelijk gerezen bezwaren zal de lezer zelf wel hebben bedacht, hoezeer Schopenhauers denken voortkomt uit zijn persoonlijkheid en uit zijn tijd. Zo is wat hij zegt over de vrouw, de liefde, het kind en het huweljk duidelijk afkomstig van een man die nooit in zijn leven een eigen tehuis heeft gehad, die geen moederlijke genegenheid heeft gekend, niet het geluk van het ouderschap en evenmin de vreugde van een vaste werkkring of het leven in een gemeenschap. Veel van wat hij zegt is goed geobserveerd en trefzeker geformuleerd, maar geeft slechts één facet, één type vrouw bijvoorbeeld. Het geeft niet de hele, maar slechts de halve waarheid en is dus maar half waar. Steekt in zijn leer dat je leed moet zien te vermijden en moet genieten van een onverstoorbare gemoedsrust, niet iets van de kleinzielige bangheid en het egoïsme van de knorrige vrijgezel die niet gesteld is op gezelschap en verantwoordelijkheid? Is alle geluk inderdaad alleen maar negatief? En verliest de dood niet veel van zijn verschrikking, als hij komt na een werkzaam leven in dienst van de medemens?
Ten slotte een vraag over de wijsgerige consistentie. Als het wezen van de wereld enkel blinde wil is, hoe kan het intellect dan zegevieren over de wil? Waar haalt de mens dan de kracht vandaan om de wil te overwinnen? Is dat geen aanwijzing dat er behalve de blinde wil nog een andere werkelijkheid moet bestaan?