1. Leven en voornaamste geschriften
We mogen Schopenhauer zien als leerling en opvolger van Kant, hoewel zijn filosofie uitloopt op iets heel anders dan die van Kant, op het tegendeel zelfs. Datzelfde geldt voor de verhouding van Nietzsche tot Schopenhauer. Toch heeft het zin de filosofie van Nietzsche te plaatsen naast en na die van Schopenhauer, want behalve dat Schopenhauer Nietzsche sterk heeft beïnvloed, hebben ze iets gemeen wat hen onderscheidt van de verstandsfilosofen: ook Nietzsches filosofie is een filosofie van de wil. Het leven van Nietzsche is een van de grote tragedies van de menselijke geest. "Zelden heeft iemand zo'n hoge prijs betaald voor zijn genie.”
Friedrich Wilhelm Nietzsche werd in 1844 te Röcken bij Lützen geboren als zoon van de plaatselijke predikant. Volgens de overlevering zou de familie afstammen van een Poolse graaf. Nietzsche verloor op vijfjarige leeftijd zijn vader en groeide op in een vrouwelijke omgeving en in de sfeer van protestantse vroomheid. Hij werd een gevoelige, wat teerhartige jongen, maar probeerde toen al zich daartegen te verzetten door ascese en ijzeren zelfbeheersing. Hier hebben wij al twee grondtrekken van zijn karakter: 'Wat ik niet ben, dat is voor mij God en deugd!" In het beroemde internaat van Schulpforta werd de basis gelegd voor Nietzsches nooit verflauwde liefde voor de Griekse oudheid. Hij studeerde daarna in Bonn en Leipzig klassieke filologie. In Leipzig sloot hij vriendschap met de befaamde classicus Erwin Robde (I845-1898), die bekend is geworden door zijn boek 'Psyche, geestenverering en onsterfelijkheidsgeloof bij de Grieken' (Psyche, Seelenkult und Unster-blichkeitsglaube der Griechen, 1890-1894).
Naast zijn ouderlijk huis en de klassieke oudheid was er nog een derde factor die beslissend werd voor zijn geestelijke ontwikkeling. Die ontdekte hij in Leipzig. In een antiquariaat vond hij het werk van Schopenhauer, las het in één adem uit en liet dit sombere genie geheel op zich inwerken. Al eerder had hij kennisgemaakt met het werk van Richard Wagner, dat geheel de geest van Schopenhauer ademde. 'Vanaf het ogenblik dat er een klavieruittreksel van de Tristan bestond, was ik wagneriaan? Nietzsche hield van muziek. 'Zonder muziek zou het leven voor mij een dwaling zijn? Urenlang kon hij zijn toehoorders boeien met improvisaties op de vleugel. In Leipzig maakte Nietzsche persoonlijk kennis met Wagner en werd een van zijn vurigste bewonderaars.
Al voor die tijd was Nietzsche in dienst gegaan, maar hij liep bij het paardrijden een verwonding op en werd ontslagen. Tijdens zijn studentenjaren publiceerde hij enkele kleine filologische studies. Met de aanbeveling van zijn leermeester Ritschel bezorgden ze de vierentwintigjarige jongeman een professoraat in de klassieke filologie aan de universiteit te Basel. In deze Zwitserse tijd ontmoet Nietzsche de historicus Jacob Burckhardt (I818-1897), de theoloog Franz Overbeck (1837-1905) en opnieuw Wagner, die toen in Triebschen aan het Vierwoudstrekenmeer woonde.
Zijn gelukkige tijd in Basel werd onderbroken door de oorlog van 1870. Nietzsche nam eraan deel als ziekenverpleger. Tengevolge van een zware dysenterie keerde hij weldra terug. Vanaf die tijd is hij nooit meer gezond geweest.
In 1871 verscheen 'De geboorte van de tragedie uit de geest van de muziek' (Die Geburt der Tragödie aus dem Geiste der Musik).
Nietzsche ziet in het Griekse leven en de Griekse kunst twee polair tegengestelde krachten aan het werk, die hij het dionysische en het apollinische noemt. Het dionysische, het best te vergelijken met een roes, is de vormloze oerwil, zoals die onmiddellijk in de muziek tot uiting komt. Het Apollinische is de macht van maat en harmonie.
De groeiende macht van Duitsland na 1870 was voor Nietzsche aanleiding tot kritiek en bezorgdheid. De kritiek op zijn tijd verwoordde hij in 'Oneigentijdse beschouwingen' (Unzeitgemässe Betrachtungen, 1873-1876). De eerste beschouwing is een afrekening met David Friedrich Strauss, het type van de Duitse 'cultuurfilister'. De beroemde tweede beschouwing 'Over nut en nadeel van de geschiedenis voor het leven' keert zich tegen de groeiende ballast van historische kennis, waaronder het eigenlijke leven dreigt te verstikken. Met de derde studie 'Schopenhauer als opvoeder' en de vierde 'Richard Wagner in Bayreuth' prijst Nietzsche zijn eigen meesters als opvoeders tot een nieuwe, veredelde cultuur.
Spoedig na deze verheerlijking van Wagner kwam het tijdens de Bayreuther Festspiele, waaraan hij als gast deelnam, tot een breuk met Wagner. Nietzsches voornaamste verwijt was, dat Wagner met zijn Parsifal" voor het christelijk ideaal van levensverzaking in het stof was gekropen.
De breuk met Wagner markeert de overgang van de eerste naar de tweede periode in Nietzsches ontwikkeling. Hij keerde zich af van het ideaal en de meesters die hij tot nu toe had bewonderd. Nietzsche werd kritisch tegenover kunst en metafysica. Hij zocht nu zijn heil in de wetenschap en neigde tot een naturalistisch positivisme. Zijn boek 'Menselijk, al te menselijk, een boek voor vrije geesten' (Menschliches, All-zumenschliches, ein Buch für freie Geister, 1878-1880) getuigt daarvan. Het is opgedragen aan Voltaire. In deze tijd valt zijn eerste lichamelijke instorting. Al in 1876 had hij een jaar ziekteverlof moeten vragen en kort daarna was hij met pensioen gegaan. De stad Basel betaalde hem tot zijn dood een pensioen. In 1879 was Nietzsche de dood nabij. Na zijn genezing schreef hij 'Morgenrood' (Morgenröte, 1880) en 'De vrolijke wetenschap' (Fröhliche Wissenschaft, I882). Nietzsche heeft zelf in "Zarathoestra' de drie stadia beschreven die de mens bij zijn ontwikkeling doorloopt: afhankelijkheid van autoriteiten en meesters - zich losmaken daarvan en de vrijheid veroveren (negatieve vrijheid, 'vrijheid van') - zich richten op eigen waarden en definitieve doeleinden (positieve vrijheid, 'vrijheid tot). Dit derde stadium begint voor Nietzsche zelf in 1882 met zijn werk 'Aldus sprak Zarathoestra' (Also sprach Zarathustra). Nietzsche verbleef, sinds hij Basel had verlaten, meestal in Noord-Italië, in Genua, Venetië, Turijn, ook aan de Franse Rivièra en 's zomers veel in Sils-Maria in het Boven-Engadin, waarvan hij bijzonder hield. De winter van 1882-1883 bracht hij door aan de baai van Rapallo. Op zijn wandelingen rondom de baai en op de heuvels met uitzicht op zee groeide zijn hoofdwerk. Zarathoestra 'overviel' hem." Al tijdens het schrijven van "Zarathoestra', een dichterlijke verbeelding van Nietzsches wijsgerige gedachten, was in hem het plan gerijpt zijn filosofie in een groot werk van vier delen systematisch te behandelen. Het boek zou heten 'De wil tot macht, proeve tot een herwaardering van alle waarden' (Der Wille zur Macht. Versuch einer Umwertung aller Werte, of iets dergelijks; er zijn verschillende titelvoorstellen bewaard gebleven). Nietzsche heeft het niet voltooid. Het is na zijn dood uitgegeven volgens schema's die met aantekeningen voor het werk in zijn nalatenschap werden aangetroffen. Het heeft daardoor een fragmentarisch karakter behouden, niet alleen in taal maar ook in de gedachtegang. (Stilistisch zijn alle late werken van Nietzsche niet meer dan verzamelingen van losse gedachten en aforismen.) Het in 1886 verschenen 'Voorbij goed en kwaad, voorspel tot een wijsbegeerte van de toekomst' (enseits von Gut und Böse) zou de inleiding vormen tot dit werk. Maar het werken aan zijn systematisch boek werd weer onderbroken door nieuwe uitgaven van vroegere geschriften en door zijn in 1887 geschreven 'Genealogie der moraal' (Genealogie der Moral). Nietzsche raakte in deze jaren steeds meer vereenzaamd. Bijna geen van zijn vroegere vrienden kon hem volgen op zijn nieuwe wegen. Ook zijn boeken bleven vrijwel onopgemerkt. Voor het laatste deel van "Zarathoestra' vond hij zelfs geen uitgever meer; hij moest alles op eigen kosten laten drukken. In de beklemmende stilte die hem omgaf groeide Nietzsches gevoel voor eigenwaarde. Zijn taal werd steeds hartstochtelijker en luider.Het jaar 1888 vormde een nieuw hoogtepunt van productiviteit. Maar de overspannen productie was al een voorbode van de komende catastrofe. Nietzsche schreef 'Het geval Wagner' (Der Fall Wagner), een verbitterde afrekening met Wagner, zoals ook 'Nietzsche contra Wagner, dossiers van een psycholoog. Hij publiceerde "Godenschemering' (Götzendämmerung) en 'De antichrist' (Der Antichrist), twee felle aanvallen op het christendom. Ten slotte schreef hij de laatste maanden van dat jaar zijn autobiografie 'Ecce Homo'. Hierover schreef hij aan de Deense geleerde Brandes, die juist de eerste colleges over de wijsbegeerte van Nietzsche had gegeven - een eerste teken van Nietzsches beginnende invloed: 'Met een cynisme dat wereldhistorisch zal worden heb ik nu mezelf verteld. Het boek... is een ongenadige aanslag op de gekruisigde; het eindigt met donder en bliksem tegen alles wat christelijk is... Ik bezweer u dat we binnen twee jaar de hele aarde zien stuiptrekken. Ik ben een noodlot.’ Men kan zich afvragen of Nietzsche, als hij eerder erkenning had gekregen, misschien gespaard was gebleven voor de opgeschroefdheid van zijn laatste geschriften. Hoe dan ook, ze kwam te laat en ze zou zijn ziekte toch niet tegengehouden hebben. Hij had zijn lichamelijke en geestelijke krachten verbruikt in een jarenlange eenzame strijd voor een herwaardering van alle waarden. Hij was bijna blind. Alle publicaties van de laatste jaren waren met uiterste krachtsinspanning bevochten op zijn steeds verder grijpende ziekte. Begin 1880 kreeg Nietzsche in Turijn een paralyse, wellicht als gevolg van een vroeger opgelopen syfilis infectie. Na een verdoving van twee dagen weer ontwaakt, stuurde hij verschillende vrienden en hooggeplaatsten zulke verwarde en fantastische brieven, dat zijn vriend Overbeck hem onmiddellijk te hulp snelde. We bezitten een aangrijpende beschrijving van het weerzien en van Nietzsches erbarmelijke toestand." Nietzsche werd naar Basel gebracht en vervolgens naar een kliniek in Jena. Daarna nam zijn moeder hem bij zich. Dankzij haar opofferende verpleging en later ook die van zijn zuster Elisabeth Förster-Nietzsche, leefde hij nog twaalf jaar in een schemertoestand, waaruit de dood hem eindelijk in 1900 verloste.
2. Eenheid en eigen natuur van Nietzsches filosofie
Het is niet zo gemakkelijk eenheid en een doorlopende lijn te ontdekken in Nietzsches filosofie. Op het eerste gezicht lijkt zijn werk naar de vorm een verzameling geniale aforismen, en naar inhoud een verzameling korte schetsen. Dat geldt niet alleen voor de geschriften van het laatste jaar (1888), waarover misschien al de schaduw valt van de komende duisternis, maar ook voor de werken uit zijn beste jaren. Maar de recente Nietzsche-interpretatie ziet in zijn denken wel degelijk samenhang, orde, eenheid van lijn en zelfs een levenslange concentratie op één centraal wijsgerig thema. Wij vermelden dit, maar kunnen dit hier niet afdoende bewijzen. Wel wijzen we erop dat de hedendaagse filosofie, nadat al in de jaren twintig en dertig van de zoe eeuw veel over Nietzsche geschreven werd, zich uitgebreid met hem bezighoudt en zijn uitzonderlijk belang voor de geschiedenis van het denken steeds nadrukkelijker erkent. Zo heeft Karl Jaspers onder de titel 'Nietzsche - inleiding tot het begrip van zijn filosoferen' een eigen interpretatie gegeven. Martin Heidegger heeft zijn filosofie in veel voordrachten en artikelen behandeld en in 1960 een tweedelig werk over hem gepubliceerd. Laten we nu proberen toegang te krijgen tot Nietzsches werk. We mogen niet verwachten dat we het geheel zullen overzien. Wij beginnen met een citaat dat tegelijk een beeld geeft van zijn krachtige, hartstochtelijke taal en zijn virtuose stijl. Het staat aan het einde van zijn nagelaten werk 'De wil tot macht' (Der Wille zur Macht). 'En weet gij ook wat "de wereld" voor mij is? Zal ik ze u in mijn spiegel tonen? Deze wereld: een kolos van kracht die niet groter en niet kleiner wordt, die niet inteert maar alleen verandert, als geheel onveranderlijk groot, een huishouding zonder uitgaven en verliezen maar ook zonder groei en inkomsten, door het "niets" als zijn grens omsloten, niets dat wegvloeit of verspild wordt, niet iets oneindig uitgebreids maar een bepaalde kracht ingebed binnen een bepaalde ruimte, en geen ruimte die "leeg" is maar overal aanwezige kracht, als spel van krachten en krachtgolven tegelijk één en veel, hier toenemend, daar af-nemend, een zee van in zichzelf stormende en golvende krachten, eeuwig veranderend en eeuwig terugvloeiend, in onmetelijke jaren van terugkeer met een eb en vloed van vormen, van het eenvoudigste wegdrijvend naar het veelvoudigste, van het meest stille starre koude tot het meest gloeiende wilde zichzelf weersprekende, en dan uit de volheid weer terugkerend tot het eenvoudige, uit het spel der tegenspraken terug tot het genot van de harmonie, in de gelijkheid van zijn banen en jaren zichzelf bevestigend, zichzelf zegenend als dat wat eeuwig moet terugkeren, als een worden dat geen verzadiging, geen weerzin, geen vermoeidheid kent: deze mijn dionysische wereld van het eeuwig zichzelf scheppen, van het eeuwig zichzelf vernietigen, deze mysterie-wereld van dubbel genot, dit mijn "Voorbij goed en kwaad" , zonder doel tenzij in het geluk van de kring een doel ligt, zonder wil tenzij een ring voor zichzelf het goede wil... wilt ge een naam voor deze wereld? Een oplossing voor al haar raadsels? Een licht voor u, gij meest verborgenen sterken onverschrokkenen middernachtelijken? Deze wereld is de wil tot macht - en buiten dat niets! En ook gijzelf zijt deze wil tot macht en buiten dat niets!'
Om een eerste oriëntatiepunt te vinden kunnen we zoeken naar een denker of een richting in de ons bekende geschiedenis van de filosofie, die herinnert aan deze opvatting van Nietzsche over de 'wereld'. Waar horen we eenzelfde geluid? Wij moeten ver teruggaan om het antwoord te vinden: naar de enige filosoof met wie Nietzsche zelf erkend heeft zich verwant te voelen, Heraclitus. Beiden zien de wereld als een oneindig proces van worden en vergaan, van scheppen en vernietigen - te vergelijken met een zee waarin al het eindige zich vormt, gestalte krijgt en weer vergaat, vervloeit, waarin een oerkracht zichzelf handhaaft.
Dus Heraclitus? Zo ver in het verleden? Moet dit betekenen dat Nietzsche alles negeert wat zich in de geschiedenis van het denken heeft afgespeeld tussen Heraclitus en de 19de eeuw n.Chr.: Socrates, Plato, Aristoteles, het christendom en de westerse filosofie? Nietzsche negeert het niet maar zet zich ertegen af, hij wil er niet van weten! Inderdaad ziet hij alles wat sindsdien is gebeurd als een dwaalweg. Hij wantrouwt het. Hij probeert het overgeleverde te vernietigen en opnieuw te beginnen, zo radicaal als nog niemand vóór hem. En natuurlijk kan hij zich niet bedienen van de begrippentaal die deze overlevering in het leven heeft geroepen - hij bestrijdt haar immers! Dit is één reden waarom Nietzsche denkt en spreekt 'in beelden'. Het wezen van de wereld, zegt Nietzsche, is wil, of liever wil tot macht. En hij voegt eraan toe: 'en buiten dat niets!' Wat betekent dit?
Met deze woorden wijst Nietzsche alle 'metafysica' af, alle pogingen van filosofie of religie om naast, achter of boven de zojuist beschreven 'wereld' nog een tweede 'ideële' wereld te stellen en te denken. 'God is dood', dit woord dat Nietzsche zijn Zarathoestra in de mond legt, is de korte formule voor die gedachte. 'Eeuwige ideeën', 'Ding an sich', 'hiernamaals': het zijn allemaal hersenschimmen, kleurige rook, illusies. Maar geen aangename illusies! Waar komen die dan vandaan? "Zieken en stervenden waren het, die lijf en aarde verachtten en het hemelse en de verlossende bloeddroppen ontdekten..' spreekt Zarathoestra." In dit citaat duikt iets nieuws op: waardering, waardeoordeel en wel volgens begrippenparen als ziek-gezond, decadent-levenskrachtig. Het is kenmerkend voor Nietzsche dat hij alle zijnsproblemen ziet als waardeproblemen of ze daarin verandert. Maar we doen hem beslist onrecht, als we deze begrippenparen alleen opvatten in de meest platte biologische zin. Ongetwijfeld biedt dit facet - Nietzsche als de grote vernietiger van traditionele waarden en schepper van nieuwe waarden, als her-ijker van alle waarden' - een vrij gemakkelijke, te gemakkelijke, toegang tot zijn denken. Te gemakkelijk omdat het ons verleidt andere facetten van zijn filosofie te vergeten. Onder dit voorbehoud zullen we Nietzsches waardeschalen bekijken.
3. De filosoof met de hamer
Nietzsche 'filosofeert met de hamer'. Onbarmhartig slaat hij oude, als vals erkende waarden in puin, maar schept tegelijkertijd nieuwe waarden en idealen. 'Wie een schepper moet zijn in goed en kwaad, waarlijk, die moet eerst een vernietiger zijn en waarden stukbreken.' Laten wij eerst dit facet van Nietzsche bekijken: het slopen en de kritiek. Men heeft dit het zevenvoudig 'anti' genoemd."
I. Nietzsche is antimoralist. Er is herenmoraal en slavenmoraal. Het woord 'goed' heeft twee heel verschillende betekenissen. Bij de heerser betekent het de verheven, trotse eigenschappen van de ziel. De tegenstelling van 'goed' is hier 'min'. Min is voor de heerser: gangbaar, gewoon, algemeen, waardeloos. Voor de kuddemens daarentegen is 'goed': vreedzaam, onschadelijk, goedig, medelijdend; de tegenstelling is hier 'slecht'. Slecht is alles wat de mens verheft boven de kudde: uitzonderlijk, moedig, onberekenbaar, gevaarlijk - kortom bijna alles wat voor de heerser 'goed' is." Met de joden begint in de geschiedenis de slavenopstand van de moraal. Hun profeten hebben het klaargespeeld de begrippen 'rijk, 'goddeloos', 'slecht", 'gewelddadig', 'zinnelijk' tot één begrip te versmelten en aan het woord 'wereld' een negatieve waarde te geven. Deze radicale ommekeer van alle natuurlijke verhoudingen in waarde en rang is een geestelijke wraakactie van de kleinen en misdeelden. Nu worden de armzaligen, armen, machtelozen, lijdenden, zieken en lelijken de 'goeden', terwijl de aristocratische gelijkstelling tussen goed en voornaam, schoon, machtig, gelukkig de overhand verliest. De sterke en gezonde instincten, die zich onder de heerschappij van de slavenmoraal niet kunnen ontladen, moeten een ondergrondse bevrediging zoeken. Zij keren zich naar binnen. Dat is de oorsprong van het 'slechte geweten'. De sterke mens wordt een dier dat opgesloten in de kooi van de zeden zichzelf verscheurt en mishandelt. Dat leidde tot de akeligste ziekte van de mensheid, het lijden van de mens aan zichzelf. In alle woorden waarmee de godsdienst die de erfgename werd van de joodse slavenmoraal het medelijden preekt, horen we de schorre klanken van de zelfverachting der mislukten."
2. Nietzsche is antidemocratisch. Alle moraal in Europa is tegenwoordig kuddediermoraal. In de politieke en maatschappelijke instellingen is de democratische beweging daarvan de zichtbare uitdrukking. Het is belachelijk om als de Engelse kruidenierszielen de zin van het leven te zien in het grootst mogelijk geluk van het grootst mogelijk aantal.
3. Nietzsche is antisocialistisch. Het socialistische ideaal is de totale ontaarding van de mens tot volmaakt kuddedier." Hoe is tot nu toe iedere hogere cultuur op aarde begonnen? 'Laten wij het onomwonden zeggen... mensen met een nog natuurlijke natuur, barbaren... rovers, nog in het bezit van ongebroken wilskracht en machtsbegeerte overvielen zwakkere, meer beschaafde en vreedzame, misschien handel drijvende of veeteelt beoefenende rassen, of oude verzwakte culturen waarin de laatste levenskracht opbrandde in schitterend vuurwerk van geest en verval.' Het wezen van alle leven is, de zwakke beroven, onrecht doen en overweldigen, hem hard behandelen, hem de eigen levensstijl opdringen, inlijven of tenminste uitbuiten. 'Men daast tegenwoordig overal… over toekomstige maatschappijvormen zonder "uitbuitend karakter" dat klinkt me in de oren of men een leven hoopt uit te vinden dat alle organische functies mist.
4. Nietzsche is antifeminist. Naarmate de mannen hun echte mannelijkheid verliezen, ontaardt de vrouw en geeft haar meest vrouwelijke instincten prijs. Het streven van de vrouw naar economische en juridische zelfstandigheid, de emancipatie, is een teken van ontaarding."
5. Nietzsche is anti-intellectualistisch. Als voor Schopenhauer zijn ook voor Nietzsche bewustzijn, verstand, intellect niet meer dan verschijnselen aan de oppervlakte, dienaren van de wil. Ons kenvermogen is helemaal niet ingesteld op 'weten'. Het is een werktuig voor abstractie en vereenvoudiging, bedoeld om de dingen te beheersen in dienst van het leven." Men mag de rol van het bewustzijn niet overschatten. Het meeste gebeurt onbewust. Het instinct is 'van alle soorten intelligentie die men tot nu toe ontdekt heeft de meest intelligente'. Het merendeel van het bewuste denken, zelfs van het filosofisch denken, moet nog gerekend worden tot de instinctieve werkzaamheid. De wijsgeren doen alsof zij hun waarheid bereikten door nuchtere logica. Maar daarachter gaan telkens waardeoordelen schuil en eisen van het instinct. Het is waanzin het lichaam te verachten en te behandelen als een vijand, waanzin te geloven dat 'men een schone ziel kan bezitten in de misgeboorte van een lijk'.
6. Nietzsche is antipessimistisch. Al hebben de wijzen van alle tijden, Schopenhauer incluis, over het leven eenstemmig geoordeeld: 'het deugt niet' - wat bewijst dat? Bewijst hun overeenstemming dat zij gelijk hebben? Is die overeenstemming niet eerder een aanwijzing dat er bij die wijzen lichamelijk iets mis was? 'Misschien waren ze geen van allen nog vast ter been, waren ze aftands en beverig? Misschien verscheen de wijsheid op aarde als een raaf die opgetogen raakt bij een lichte geur van aas?' Deze wijzen zijn de mislukkelingen van het leven. Dat wordt nergens duidelijker dan in de persoon van Socrates. Hij was afkomstig uit het gepeupel. Zijn ironie was de uitdrukking van opstand, van volks ressentiment. Wie zegt: het leven is niets waard, zegt eigenlijk: ik ben niets waard.
7. Dit alles tezamen vormt het antichristelijk karakter van Nietzsches filosofie. In het christendom zijn alle natuurlijke waarden omgekeerd. Christelijk is het nee-zeggen op al het natuurlijke, de onwaardigverklaring van het natuurlijke, de tegennatuurlijkheid. Het christendom was vanaf het begin de doodsvijand van de zinnelijkheid. 'Het christelijk godsbegrip - God als ziekengod... God als geest - is een van de meest corrupte godsbegrippen... God ontaard tot tegendeel van het leven, in plaats van de verheerlijking van het leven en het eeuwig ja. Christelijk is de haat tegen heerschappij en voornaamheid, tegen geest, trots en moed, tegen de zinnen en tegen alle vreugde. Het christendom heeft deze wereld - de enige die de mens gegeven is - tot een tranendal gemaakt en het zwaartepunt verlegd naar een onbereikbaar 'hiernamaals'. In plaats van te vragen: hoe kan men de hartstochten vergeestelijken en vergoddelijken, hebben de christenen de bijl aan de wortel van de hartstocht gelegd en daarmee aan de wortel van het leven. 'Hiermee ben ik aan het eind gekomen en spreek ik mijn vonnis uit. Ik veroordeel het christendom, ik dien tegen de kerk de vreselijkste aanklacht in die ooit een aanklager in de mond genomen heeft... De christelijke kerk heeft niets onberoerd gelaten met haar verwoestingen, zij heeft van elke waarde een onwaarde, van elke waarheid een leugen, van elke rechtschapenheid een zielsgemeenheid gemaakt. Nu moet men mij nog met haar "humanitaire" zegeningen aan mijn hoofd komen zeuren, als men durft!
4. De nieuwe waarden
'Maar de ware filosofen zijn gebieders en wetgevers. Zij zeggen: Zo moet het zijn! Zij bepalen het waarheen en waartoe van de mens...?* Nietzsche, die onverbiddelijk waarden vernietigt, die leert dat 'God dood is', presenteert een nieuw levensdoel: 'Alle goden zijn dood; nu willen wij dat de Uebermensch leeft. "Zie, ik leer u de Uebermensch! De Uebermensch is de zin der aarde… Ik bezweer u, mijn broeders, blijft de aarde trouw en gelooft niet degenen, die u van bovenaardse verwachtingen spreken! Gifmengers zijn zij, of zij het weten of niet. Levensverachters zijn zij, afstervenden en zelf vergiftigden, die de aarde moe is: dat zij heengaan!'
Zo spreekt Nietzsches Zarathoestra, als hij overvol van kennis uit de eenzaamheid van de bergen afdaalt naar de mensen om hun zijn leer te brengen.
'De mens is een koord, geknoopt tussen dier en Uebermensch, een koord boven een afgrond. Een gevaarlijk over-lopen, een gevaarlijk op-weg-zijn... Het grote in de mens is: dat hij een brug is en geen doel; wat bemind kan worden in de mens, is dat hij een overgang is en een ondergang. Ik houd van hen die niet weten te leven, tenzij als tenondergaanden, want zij zijn de overgaanden. Ik houd van de grote verachtenden, omdat zij de grote vererenden zijn en pijlen van verlangen naar de andere oever. Ik houd van hen, die niet eerst achter de sterren een reden zoeken om ten onder te gaan en offer te zijn: doch die zich der aarde offeren, opdat de aarde eenmaal de Uebermensch behore.'
De Uebermensch is de mens die weet dat God dood is, die weet dat al het ideële bovenaardse niet meer is dan een hersenschim, die zich geeft aan de aarde en het leven en ze met vreugde begroet. Hij weet dat de wereld een 'dionysische' wereld is die aldoor opnieuw geboren wordt uit de oerbron van het Zijn. Hij weet dat alle pogingen van de mens, om kennend, scheppend en waardegevend daarin een vaste plaats te veroveren, in de loop van de almachtige tijd gedoemd zijn te mislukken. Hij weet ook dat hijzelf een deel is van deze wereld, een stuk 'wil tot macht' en buiten dat niets, en stemt daar bewust mee in. Hij is bestand tegen deze diepe en onoplosbare tegenstrijdigheid, die de tegenstrijdigheid is van het leven zelf. Dit weten noemt Nietzsche, in tegenstelling tot het vlakke vluchtige illusieweten, 'tragische wijsheid'. Ten slotte is de Uebermensch de mens die bestand is tegen de laatste, moeilijkste en zwaarst te verteren gedachte van Nietzsche: de eeuwige terugkeer. We hoorden deze gedachte al in het aforisme uit 'Wil tot macht' waarmee we onze bespreking begonnen. Nietzsche heeft ze nooit anders dan aanduidend en in vergelijkingen onder woorden kunnen brengen, vooral in het derde deel van zijn 'Zarathoestra'. Hij probeert tijd en eeuwigheid als een eenheid te denken. "Alles gaat, alles keert terug; eeuwig wentelt het rad van het Zijn. We moeten de wereld denken als een bepaalde hoeveelheid kracht. We kunnen het veelvormig Zijn niet overzien, maar het is niet oneindig. De tijd is wel oneindig. Daarom moet iedere mogelijke combinatie van dingen al ooit gerealiseerd zijn, ze moet zelfs talloze malen gerealiseerd zijn. Alles keert terug, alles kee rt eeuwig terug; dit te denken en hiermee in te stemmen is de sterkst denkbare vorm van ja-zeggen. 'Was dat... het leven?", zo wil ik zeggen tot de dood. "Welaan, dan nog eenmaal!
'O mens! Geef acht!
Wat spreekt de diepe middernacht?
"Ik sliep, ik sliep-,
Uit diepe droom ik wakker lag: -
t Heelal is diep,
En dieper dan de dag zich dacht.
Diep is haar pijn -,
Lust - dieper nog dan 't harte lijdt:
Pijn spreekt: Verdwijn!
Doch alle lust wil eeuwigheid -,
- wil diepe, diepe eeuwigheid!"
5. Waardering van Nietzsche
Nietzsche de eenzame. - Nietzsche was een mens die 'boven zichzelf uit
wil stijgen en zo ten gronde gaat' - zoals Zarathoestra zegt. De gruwelijke eenzaamheid, en de drukkende last van de strijd die de eenzame voerde tegen de millennia heersende oude waarden, hebben zijn krachten opgeteerd en hem ten slotte in de weldadige nacht van de waanzin laten wegzinken. Twee jaar tevoren schreef Nietzsche in een brief: "Als ik je eens een idee kon geven van mijn gevoel van eenzaamheid!" Onder de levenden en onder de doden heb ik niemand met wie ik mij verwant voel. Dat is onbeschrijflijk huiveringwekkend...'
Ja! Ik weet vanwaar ik stam!
Onverzadigd als de vlam gloei ik en verteer mijn ik.
Licht wordt alles wat ik aangrijp, kool wordt alles wat ik achterlaat:
vlam ben ik gewis!'
Nietzsche de dichter. - Nietzsche was een van de grootste Duitse dichters. De "Zarathoestra' is een onvergankelijk meesterwerk van poëzie. Nietzsche schreef volmaakte verzen als dit:
An der Brücke stand
jüngst ich in brauner Nacht.
Fernher kam Gesang:
goldener Tropen quall's
über die zitternde Fläche weg.
Gondeln, Lichter, Musik -
trunken schwamm's in die Dämmerung hinaus.
Meine Seele, ein Saitenspiel, sang sich,
unsichtbar berührt, heimlich ein Gondellied dazu,
zitternd von bunter Seligkeit.
- Hörte jemand ihr zu?...
Bij de brug, daar stond ik laatst,
de nacht was zwart.
Van verre klonk gezang;
in gouden druppels flauwde
het op't bevend oppervlak.
Gondels, lichten, muziek-
dronken zwom het uit, de schemer in...
Mijn ziel, een snarenspel, zong,
in het geheim geraakt, stil een gondellied erbij,
trillend van bonte zaligheid.
- Is ernaar geluisterd?'
Nietzsche was geen nuchtere, kritische filosoof. Hij bewijst niet, hij verkondigt en openbaart een nieuw geloof. Maathouden, harmonie en beheersing in de kunst, het apollinische dat hij zo bewonderde in de Fransen, was niet zijn kracht. Hij verlangde van de schrijver dat hij
"zijn mond hield zodra het werk zijn mond opendeed'. Maar uit elke regel spreekt hijzelf.
Nietzsche de psycholoog. - Nietzsche had een geniale scherpe psychologische blik. Hij was vooral een psycholoog van de achtergrond, het verborgene, het onbewuste (hij heeft veel inzichten van de moderne dieptepsychologie voorzien). Hij was een meester in de kunst van het ontmaskeren, de kunst om achter idealen en idolen van de mens, achter 'eeuwige waarheden' van filosofie, metafysica, religie en moraal de verborgen en verdachte motieven te herkennen: zelfbedrog, drift en begeerte, dwaling en hartstocht - kortom het 'menselijke al-te-mense-lijke'. Dit geldt met name voor de middelste, 'verlichte' periode van zijn werk, waartoe ook 'Menselijk, al te menselijk' behoort.
Nietzsche de Duitser. - Een zo diep, gecompliceerd, veelzijdig en moeilijk grijpbaar iemand als Nietzsche is niet te beschrijven in enkele zinnen of trefwoorden. Men moet de geest en de geur van zijn werken inademen. Je kunt hem een romanticus en een antiromanticus romanticus noemen, een Duitser en een anti-Duitser, een christen en een antichristen, want hij heeft in zichzelf een broedertwist uitgevochten tussen twee vrijwel even sterke facetten van zijn natuur. Dat geldt met name ook voor zijn verhouding tot het Duitse. Vaak cirkelen zijn gedachten rondom het wezen en het lot van de Duitser. En waar hij het verst van de Duitse geest lijkt af te staan, is hij juist in het anti-Duitse en het boven-Duitse onmiskenbaar een Duitser.
Nietzsche de christen. - Het kon niet uitblijven: men heeft de 'psychologische bevindingen van Nietzsche' (titel van een boek van Ludwig Klages), en met name zijn kunst om verborgen tegenspraken, conflicten en motieven op te sporen, toegepast op Nietzsche zelf. Zo bijvoorbeeld op zijn houding tegenover het christendom. Zoals hijzelf zegt, zag hij het als een eer te stammen uit een geslacht dat ernst maakte met het christendom, en is hij 'in zijn hart nooit gemeen geweest tegen het christendom'. Hij noemde de volmaakte christen de hoogste vorm van mens-zijn die hij ooit had ontmoet. Nietzsche zei over zichzelf: 'Afgezien van het feit dat ik een decadent ben, ben ik daarvan ook het tegendeel. Hij had ook kunnen zeggen: "Afgezien van het feit dat ik een christen ben, ben ik daarvan ook het tegendeel' Was er ooit iemand die innerlijk minder had afgerekend met het christendom dan deze meest hardnekkige en onvervaarde godloochenaar van alle Duitsers...? "De christen wil loskomen van zichzelf", zo lezen we in "Het geval Wagner". Wie is dan ooit zo hartstochteljk, heldhattg ascetisch en hopeloos christen geweest als Nietzsche? Tot het moment van zijn geestelijke ondergang kunnen we de sporen volgen van zijn niet-aflatende strijd met de christen in hem. Zo blijkt het hartstochtelijk antichristelijke van Nietzsche een uitvloeisel van de felle innerlijke afweer tegen zijn eigen christen-zijn dat hem overheerst. 'Al enkele dagen vóór zijn instorting had hij in een aanval van zwaarmoedigheid gezorgd voor een oploop. Een oude, afgetobde vigilante knol, die op het plein voor zijn rijtuig stond, wekte zo sterk het medelijden van deze grote medelijdenvernietiger, dat hij hem om de nek viel en hevig schreide...'
Nietzsche de profeet. - Waarschijnlijk bezat niet één denker uit de I9de eeuw zo'n scherpe intuïtie voor wat komen ging als Nietzsche. Hij ziet hoe de bestaande culturen beginnen te verdwijnen, hoe er meer uitwisseling en beïnvloeding tussen de culturen ontstaan met als gevolg dat wereldbeschouwingen, maatschappelijke vormen en morele wetten betrekkelijk worden. Hij ziet en voorspelt het Europese nihilisme, het verloren gaan van bindende waarden en levensgewoonten. Hij ziet dat de mens na het verdwijnen van de oude levensorde zelf zijn leven zal moeten inrichten en zijn eigen waarden zal moeten vinden, en wel volgens een wereldwijde en voor heel de wereld geldende maatstaf. 'Hier ligt de enorme taak van de grote geesten van de volgende eeuw?
Nietzsche en bet nageslacht. - Nietzsche was een groot en zelfs geniaal schrijver en stilist, een subtiel psycholoog, een vlijmscherp criticus en pamflettist en ten slotte een fascinerende persoonlijkheid. Daarom is het moeilijk achter deze buitenkant en deze maskers de kern van zijn denken te zien. Maar na allerlei wisselingen en misverstanden in de Nietzsche-interpretatie is het nu, honderd jaar na zijn dood, duidelijk geworden dat we hem alleen recht doen als we hem zien als denker en over zijn denken nadenken. Als we dat proberen, blijken de meeste tot dusver gegeven interpretaties op zijn best niet-onjuist of ten dele juist; maar als de interpretator een zelfstandig denker van formaat is, zien we vaak dat hij zijn eigen opvattingen terugvindt in het werk van Nietzsche of ze daarin legt. Het is waar dat Nietzsche met Schopenhauer en, onder zeker voorbehoud, met Hamann, Herder en Goethe, aan de kant staat van het gevoel, het instinct, de wil, 'het leven', en dus gerekend kan worden tot de 'levensfilosofie', tot haar wegbereiders. Het is waar dat 'de filosoof van Sils-Maria het woord leven voor het eerst zijn wonderlijk blije gouden klank heeft gegeven'." Het is waar dat Nietzsches leer, vergeleken met die van Schopenhauer, iets optimistisch-heroïsch heeft. Het is waar dat Nietzsche een cultuurdiagnosticus en een cultuurcriticus was met profetische blik, en dat veel van zijn voorspellingen zijn uitgekomen.
Wie dieper op Nietzsche wil ingaan om zich een eigen mening over hem te vormen, moet weten dat zijn werk veranderd en verminkt werd door de beheerders van zijn nalatenschap, en bovenal door zijn zuster Elisabeth Förster-Nietzsche. Het verkrijgen van een objectief overzicht (afgezien van het feit dat Nietzsche veel fragmentarisch werk naliet) werd pas mogelijk toen Colli en Montinari zijn verzameld werk hadden bezorgd. Van de levendige belangstelling voor deze filosoof in de laatste kwart van de zoe eeuw getuigen onder meer de 'Nietzsche Studien'. Van de prominente denkers heeft onder anderen Martin Heidegger zich intensief met hem beziggehouden. De laatste tijd verwijzen veel Franse auteurs naar Nietzsche. En recente studies en biografieën hebben nu ook een nieuw licht geworpen op zijn leven en sterven."